Oordelen gepubliceerd

Vandaag is een aantal oordelen gepubliceerd waarin verschillende zorgvuldigheidseisen en aandoeningen belicht worden.

2019-95
Patiënte leed aan een therapieresistente pijnstoornis in het kader van een somatoforme stoornis. Voorts was er sprake van depressieve klachten met persoonlijkheidsproblematiek. Patiënte onderging tijdens het euthanasietraject nog diverse behandelmogelijkheden, zonder positief effect. De arts werd door een onafhankelijk psychiater bevestigd in haar oordeel dat patiënte wilsbekwaam was, zij uitzichtloos leed en dat er geen behandelmogelijkheden meer waren.

2019-102
Patiënte kwam te verkeren in een toestand waarin communicatie uiterst moeizaam was. De arts was na langdurig onderzoek van oordeel dat patiënte nog tot wilsuiting in staat was. De schriftelijke wilsverklaring betrok hij bij zijn overtuiging. Behandelend internist ouderengeneeskunde en consulent waren niet in staat de wilsbekwaamheid van patiënte te objectiveren respectievelijk betrouwbaar vast te stellen. De commissie is van oordeel dat de arts gezien de verbale en non-verbale uitingen van patiënte, waarbij de schriftelijke wilsverklaring de uitingen van patiënte hebben ondersteund en aangevuld, in redelijkheid tot de overtuiging kon komen dat patiënte nog in staat was haar wil te uiten en zij een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie deed.

2019-109
Patiënte, met een beneden gemiddeld intelligentieniveau, leed aan diverse psychische stoornissen als ook onder lichamelijke achteruitgang. Een geraadpleegde onafhankelijke psychiater zag geen reële behandelmogelijkheden meer. Er is bijzondere aandacht uitgegaan naar de wilsbekwaamheid van patiënte ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Er was geen enkele twijfel aan de wilsbekwaamheid van patiënte. De arts heeft met grote behoedzaamheid gehandeld.

2019-110
Gemotiveerde afwijking van de in de KNMG/KNMP richtlijn uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding in verband met de specifieke omstandigheden van patiënt.

2019-115
Onwenselijke uitvoering van levensbeëindiging door twee bij de behandeling van patiënte betrokken huisartsen, die haar om en om de spuiten met euthanatica hebben toegediend, waarna patiënte overleed. De commissie overweegt dat de arts wiens handelingen hebben geleid tot het overlijden van patiënte, volgens de WTL de meldend arts is. Na bespreking van de melding is de uitvoering toch medisch zorgvuldig uitgevoerd. 

2019-117
De huisarts voerde levensbeëindiging op verzoek uit bij patiënte die sinds haar adolescentie kampte met psychoses en depressies. Er werd conform hetgeen is vastgelegd in de EuthanasieCode 2018 en NVvP richtlijn 2018 gehandeld door het raadplegen van een onafhankelijke psychiater én een consulent tevens psychiater.

2019-119
Er is sprake van vergevorderde dementie. Gelet op de wilsonbekwaamheid van patiënt heeft de arts zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform artikel 2 lid 2 WTL. De commissie is van oordeel dat de arts met grote behoedzaamheid heeft gehandeld door een consulent tevens specialist ouderengeneeskunde en een onafhankelijke psychiater te raadplegen. De arts en de overige bij de casus betrokken artsen concludeerden dat patiënt zich in een situatie bevond zoals omschreven in zijn schriftelijke wilsverklaring, er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en er geen redelijke andere alternatieven meer waren.

2019-121
De arts heeft met grote behoedzaamheid en conform de voor haar beroepsgroep geldende richtlijn gehandeld door een onafhankelijke psychiater en een SCEN-arts, tevens psychiater te raadplegen bij een patiënt die leed aan een recidiverende depressieve stoornis, een narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. De arts werd bevestigd in haar oordeel door zowel de geraadpleegde onafhankelijke psychiater als de SCEN-arts tevens psychiater dat er geen redelijke behandelmogelijkheden meer waren, dat patiënt uitzichtloos leed en dat hij wilsbekwaam was ten aanzien van zijn verzoek.

2019-122
Een combinatie van aandoeningen waardoor een voorheen actieve man tot niets meer in staat was en zorgafhankelijk was geworden.

2019-126
Bij patiënt was onder andere sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. De commissie heeft nadrukkelijk stilgestaan bij het gegeven dat patiënt, ten tijde van het verzoek, op een gesloten afdeling met een voorlopige machtiging verbleef. Uit de stukken bleek dat de voorlopige machtiging was opgelegd ter bescherming van patiënt zodat hij ergens kon verblijven. Hier kon hij enigszins functioneren. De arts heeft met grote behoedzaamheid gehandeld bij dit verzoek dat voortkwam uit lijden als gevolg van een psychiatrische aandoening door een onafhankelijke psychiater te raadplegen. Zowel de onafhankelijke psychiater, de consulent en de arts waren van oordeel dat er geen realistische behandelmogelijkheden voor patiënt meer waren, het lijden uitzichtloos was en hij wilsbekwaam was ten aanzien van zijn verzoek.