Oordeel 2019-117, zorgvuldig, huisarts, psychiatrische aandoeningen, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing

Psychoses en depressies, onafhankelijke psychiater geraadpleegd

De huisarts voerde levensbeëindiging op verzoek uit bij patiënte die sinds haar adolescentie kampte met psychoses en depressies. Er werd conform hetgeen is vastgelegd in de EuthanasieCode 2018 en NVvP richtlijn 2018 gehandeld door het raadplegen van een onafhankelijke psychiater én een consulent tevens psychiater.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënte, een vrouw van 70-80 jaar, bestonden al sinds haar adolescentie depressies en psychoses, waarvoor zij tot op het laatste moment talloze behandelingen heeft ondergaan en vele behandelaars heeft gehad. Er werd nooit een voor haar acceptabel effect bereikt.

Bij een second opinion vijf jaar voor het overlijden werd aanvullend de differentiaal diagnose schizoaffectieve stoornis, sociale fobie en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis genoemd. Schemagerichte cognitieve gedragstherapie en electroconvulsietherapie werden overwogen maar haar behandelaars verwachtten geen meerwaarde hiervan. Patiënte gebruikt diverse antidepressiva. Er bestonden milde cognitieve klachten.

Patiënte was voortdurend somber gestemd, onzeker en eenzaam. Voor haar enige hobby kon zij uiteindelijk de concentratie niet meer opbrengen met als gevolg dat zij de hele dag maar wat zat te piekeren op de bank. Zij ervoer geen kwaliteit van leven meer. Zij leed onder het feit dat zij geen zelfvertrouwen had en last had van een sociale fobie.

Hoewel zij voor de psychische klachten werd behandeld door de GGZ kwamen deze klachten op het spreekuur van de arts geregeld ter sprake. Patiënte had al jaren moeite met het zelfstandig wonen en dit gaf veel onrust. Toen echter begeleid wonen eenmaal gerealiseerd was, gaf dit ook niet de nodige verlichting. Patiënte maakte altijd een sombere en angstige indruk. Zij kon haar gevoelens wel goed onder woorden brengen. Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënte ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was.

Drie weken voor de levensbeëindiging werd patiënte gezien door een onafhankelijke psychiater. Volgens deze psychiater zouden er altijd nog wel behandelingen zijn voor patiënte en haar psychiatrische klachten. De deskundige psychiater achtte, mede gezien de chroniciteit van de klachten en de milde cognitieve stoornissen, dat de kans echter gering was dat patiënte hierop substantieel zou verbeteren. Ook eventuele medicamenteuze alternatieven zouden er wel zijn maar hij achtte de kans eveneens gering dat patiënte hierop zou verbeteren.

Er waren geen voor patiënte aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënte voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënte had al tien jaar een doodswens. Drie jaar voor het overlijden was haar wens sterk aanwezig maar de wens verdween even naar de achtergrond. Ruim anderhalf jaar voor de levensbeëindiging uitte zij een concreet verzoek. De arts gaf toen aan het traject voor levensbeëindiging met haar in te gaan.

Tweeënhalve maand voor het overlijden heeft patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Voornoemde onafhankelijke psychiater was van mening dat patiënte in staat was om haar wens te uiten en dat zij kon overzien wat de gevolgen van haar keuze waren, ondanks de milde cognitieve stoornissen. Hij achtte patiënte wilsbekwaam in haar verzoek en wens tot euthanasie. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts, tevens psychiater. Patiënte bezocht de consulent vier dagen voor de levensbeëindiging nadat hij door de arts over patiënte was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.
De consulent gaf in zijn verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënte.

Volgens de consulent was patiënte bekend met recidiverende depressies bij persoonlijkheidsproblematiek terug te voeren op affectief tekort in haar jeugd. Op het moment van de consultatie was er geen sprake van een depressie in engere zin. De al lang bestaande klachten van patiënte (minderwaardig gevoel, het gevoel zich steeds te moeten aanpassen en de steeds terugkerende depressies) maakten het leven voor haar echter ondraaglijk. Met het ouder worden was volgens de consulent ook een verdere verslechtering te verwachten zonder dat er behandelmogelijkheden waren.

Volgens de consulent was patiënte wilsbekwaam en was haar verzoek weloverwogen en niet beïnvloed door anderen. In zijn verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënte tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

De commissie overweegt dat een arts in het geval een euthanasieverzoek (in overwegende mate) voortkomt uit lijden als gevolg van een psychiatrische aandoening met grote behoedzaamheid dient te handelen. Deze behoedzaamheid betreft vooral de zorgvuldigheidseisen inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing. De inbreng van specifieke deskundigheid van een onafhankelijke psychiater of een SCEN-arts tevens psychiater is in deze gevallen noodzakelijk.

De commissie is op basis van alle door de arts overgelegde gegevens van oordeel dat de arts in het onderhavige geval met grote behoedzaamheid heeft gehandeld, onder meer doordat deze een onafhankelijke psychiater heeft geraadpleegd, die concludeerde dat patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van het euthanasieverzoek, er sprake was van uitzichtloos lijden en er geen redelijke behandelmogelijkheden meer waren.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts is met patiënte tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.