Uitzichtloos en ondraaglijk lijden

De arts moet de overtuiging hebben gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt.

Uitzichtloosheid

Het lijden van de patiënt wordt als uitzichtloos beschouwd als de ziekte of aandoening die het lijden veroorzaakt niet te genezen is en het ook niet mogelijk is om  de symptomen zodanig te verzachten dat daardoor de ondraaglijkheid verdwijnt. In medisch opzicht is de uitzichtloosheid redelijk objectief vast te stellen. De uitzichtloosheid wordt door de arts vastgesteld op basis van de gestelde diagnose en prognose. Of er nog reële curatieve of palliatieve behandelopties  zijn, hangt enerzijds af van de verbetering die hiermee kan worden bereikt en anderzijds van de belasting die dit voor de patiënt meebrengt.

Ondraaglijkheid

De ondraaglijkheid van het lijden is moeilijker vast te stellen, omdat dit  persoonsgebonden is. Wat de ene patiënt nog als draaglijk ervaart kan voor een andere patiënt ondraaglijk zijn. De ondraaglijkheid van het lijden wordt bepaald door de actuele situatie, het toekomstperspectief, de fysieke en psychische draagkracht en de persoonlijkheid van de patiënt.

De ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt moet voor de arts invoelbaar zijn. De arts moet zich  niet alleen in de situatie van de patient, maar ook in zijn perspectief verplaatsen. De toetsingscommissies gaan bij de beoordeling na of de arts aannemelijk heeft kunnen maken dat de ondraaglijkheid van het lijden van deze specifieke patiënt voor  de arts invoelbaar is geweest.