Oordeel 2021-77, zorgvuldig, NVO-melding, aandoening van het zenuwstelsel, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Bij een patiënte werd PPA vastgesteld, waarbij genezing niet meer mogelijk was. Haar spraakvermogen verslechterde zeer sterk. Patiënte vond uiteindelijk gehoor bij haar nieuwe huisarts voor haar euthanasieverzoek.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een vrouw, ouder dan negentig jaar, werd drie jaar voor het overlijden Primaire Progressieve Afasie (PPA) vastgesteld. Genezing was niet mogelijk was. Het spraakvermogen van de vrouw verslechterde zeer sterk. Daarnaast ontstonden er motorische problemen waardoor zij regelmatig viel.

Door deze achteruitgang verbleef zij sinds ongeveer anderhalf jaar voor het overlijden in een verpleeghuis. De vrouw kon zich uiteindelijk nauwelijks nog verstaanbaar maken. Dit vond zij verschrikkelijk omdat ze zo graag wilde vertellen wat haar bezighield. Ook kon de vrouw niets meer zelfstandig en had hulp nodig bij alles wat ze wilde doen. Zij schaamde zich hiervoor. Door haar aandoening kon zij niet goed contact maken met anderen waardoor zij in een sociaal isolement terecht kwam. De vrouw voelde zich eenzaam en opgesloten in haar eigen lichaam en gaf aan ‘ik kan niets meer, dus ik ben niets meer’. Dit totale verlies van zelfstandigheid paste niet bij de actieve persoon die zij altijd was geweest. Zij ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De vrouw had eerder over euthanasie gesproken met haar vorige huisarts. Deze wilde om moverende redenen niet ingaan op dit verzoek. Hierop stapte de vrouw over naar een andere huisarts en vijf maanden voor het overlijden spraken zij voor het eerst met elkaar over euthanasie. Drie maanden voor het overlijden heeft de vrouw de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. De communicatie verliep met woorden, aanwijskaarten en gesloten vragen. Daarbij kon de vrouw non-verbaal aangeven of zij het eens was met hetgeen door anderen namens haar werd gezegd. De arts stelde vast dat het verzoek van de vrouw consistent was en de vrouw zich bewust was van de consequenties ervan.

De arts raadpleegde zekerheidshalve nog een onafhankelijk psychiater ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de vrouw. Daartoe was de arts overgegaan omdat aanvankelijk ook werd gedacht dat er bij de vrouw sprake was van cognitieve problemen en zij wilde een eventueel onderliggende depressie uitsluiten. Deze psychiater concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een depressie, delier of ernstige neurocognitief verval. Hij achtte de vrouw wilsbekwaam ten aanzien van haar verzoek. Gesterkt door deze constatering concludeerde de arts dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent die de vrouw drie weken voor het overlijden bezocht. De communicatie onder vier ogen verliep moeizaam, maar uiteindelijk kon de vrouw haar verzoek mede met hulp van emotiekaarten duidelijk maken. Het verzoek werd in de rest van het gesprek ook ‘vertaalt’ door haar geestelijk verzorger die de vrouw al jaren kende. De consulent kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.