Oordeel 2021-50, zorgvuldig, NVO-melding, hart- of vaataandoening, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing.

Een patiënt maakte een CVA door en wilde verdere achteruitgang niet afwachten.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Een vrouw, tussen de tachtig en negentig jaar oud, maakte elf dagen voor het overlijden een CVA door, waarschijnlijk een bloeding uit de arterioveneuze malformatie (misvorming in het bloedvatstelsel). Tevens werd een aneurysma geconstateerd dat doorgroeide in de kleine hersenen en toenemende druk gaf op de hersenstam en de brughoek.

Hierdoor was bij de vrouw sprake van kokhalzen (stam-reflex), balansverstoringen, dubbelzien, ataxie rechts (ongecoördineerd verloop van bewegingen), misselijkheid en fors progressief gehoorverlies aan de rechterzijde. Dit terwijl de vrouw links al slechthorend was. Genezing bleek niet meer mogelijk. Uit verder onderzoek bleek dat sprake was van een progressie van het aneurysma waardoor de druk in de kleine hersenen toenam.

Het lijden van de vrouw bestond uit voornoemde restverschijnselen waardoor zij volledig bedlegerig en zorgafhankelijk was geworden. Vast stond dat hierin geen verbetering meer zou komen nu de situatie snel verder verslechterde. De vrouw leed onder het plotselinge verlies van autonomie en het gebrek aan perspectief. Zij had de reële angst voor een nieuwe bloeding met verdergaand functieverlies tot gevolg. Verdere achteruitgang wilde zij niet meer afwachten. De vrouw ervoer haar lijden als ondraaglijk.

Sinds haar opname in het ziekenhuis had de vrouw met de arts, medisch specialist in het ziekenhuis, gesproken over euthanasie. Een week voor het overlijden heeft de vrouw de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Daarbij had de arts overwogen dat de vrouw, ondanks de restverschijnselen, haar verzoek duidelijk kon onderbouwen en hierin consistent was.

De arts was er voorts van overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de vrouw een dag voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.