Oordeel 2021-43, zorgvuldig, specialist ouderengeneeskunde, dementie, longaandoening, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Bij patiënt werd dementie en COPD GOLD III vastgesteld. Hij verzocht gelijktijdig met zijn vrouw om euthanasie.

Introductie van de casus

Bij patiënt, een man tussen de 70-80 jaar, werd ruim twee jaar voor het overlijden dementie vastgesteld, vermoedelijk het type Alzheimer met ook een vasculaire component. Daarnaast was sinds zeer geruime tijd voor het overlijden sprake van COPD, uiteindelijk resulterend in COPD GOLD III. De ziektegeschiedenis maakte voorts melding van reumatoïde artritis, een status na een myocardinfarct en epileptisch insulten.

Het lijden van patiënt bestond uit ernstige benauwdheid, vermoeidheid en krachtsverlies. Dagelijkse toediening van extra zuurstof hielp daarbij onvoldoende. Hij was na de geringste inspanning ernstig benauwd. Door de vermoeidheid en het gebrek aan energie was patiënt tot weinig meer in staat en bracht hij het grootste deel van de dag slapend door. Daarbij was sprake van cognitieve achteruitgang, zoals geheugenklachten en verlies van executieve vaardigheden. Door de combinatie van zijn aandoeningen was patiënt aan huis gekluisterd geraakt en werden zijn sociale contacten steeds beperkter.

Patiënt, die altijd een actieve man was geweest, leed onder het verlies van autonomie, de afhankelijkheid van anderen, de uitzichtloosheid van zijn situatie en het reële vooruitzicht van verdere cognitieve achteruitgang. Bovendien leed hij onder het zekere vooruitzicht dat hij met het overlijden van zijn echtgenote, die eveneens om euthanasie had verzocht vanwege een ernstige terminale ziekte, naar een zorginstelling zou moeten verhuizen. Dat was voor patiënt een onaanvaardbaar vooruitzicht.

Patiënt had samen met zijn echtgenote met de arts over euthanasie gesproken. Patiënt gaf te kennen gelijktijdig met zijn echtgenote te willen overlijden. Tien dagen voor het overlijden heeft patiënt de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Hij persisteerde in zijn verzoek. Op verzoek van de arts werd patiënt vijf dagen voor het overlijden onderzocht door een onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde. De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënt vier dagen voor de levensbeëindiging bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Het toetsingskader in het algemeen

In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, van de WTL is hier te vinden.

Het toetsingskader toegespitst op de casus

In deze casus is sprake van een patiënt die tegelijkertijd met zijn partner verzocht heeft om euthanasie. In dergelijke meldingen (ook wel duo-euthanasie genoemd) wordt door de commissie expliciet onderzocht of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (artikel 2, eerste lid onder a, WTL) en of er voor beide partners een andere onafhankelijke arts is geraadpleegd (artikel 2, eerste lid onder e, WTL).

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Vrijwillig en weloverwogen verzoek

Overwegingen
In het geval partners gelijktijdig een verzoek tot uitvoering van euthanasie doen en indien op beide verzoeken wordt ingegaan, moet vaststaan dat het verzoek van de ene partner niet is beïnvloed of is ingegeven door dat van de andere partner. Daarom moet komen vast te staan dat elk van beide verzoeken vrijwillig en weloverwogen is gedaan.

Daarnaast wordt, in het geval er bij een patiënt sprake is van dementie, van de arts gevraagd met grote behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder de eis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.

Het is de commissie duidelijk geworden dat de grondslag van het verzoek van patiënt gelegen was in de gevolgen van zijn ernstige benauwdheid, de cognitieve achteruitgang en de daarmee samenhangende toenemende zorgafhankelijkheid. Hij gaf daarbij weliswaar blijk van een groot gevoel van lotsverbondenheid met zijn echtgenote maar het verzoek werd ingegeven door het lijden dat voortkwam uit zijn persoonlijke situatie.

Patiënt kon niet meer voldoende voor zichzelf zorgen en met het wegvallen van de zorg van zijn echtgenote zou hem een opname in een zorginstelling wachten; een perspectief dat patiënt verafschuwde en door hem resoluut afgewezen werd. Hoewel het lijden van patiënt verband hield met de situatie van zijn echtgenote, maakte hij hierin zijn persoonlijke afweging. De arts was ervan overtuigd dat het verzoek van patiënt niet was beïnvloed door zijn echtgenote of anderen in haar omgeving. De arts werd hierin bevestigd door de door haar geraadpleegde consulent.

Tevens heeft de arts in het modelverslag op duidelijke wijze toegelicht waarom zij ervan overtuigd was dat patiënt wilsbekwaam terzake was. Ondanks de geheugenklachten waarbij hij soms de context van een verhaal of zijn oriëntatie in tijd kwijt was, was patiënt helder en consistent in zijn verzoek. De geraadpleegde consulent was dezelfde mening toegedaan.

Ook heeft de arts een onafhankelijk specialist ouderengeneeskunde geraadpleegd. De specialist ouderengeneeskunde stelde vast dat patiënt zelf had gekozen voor euthanasie. De grondslag van dat verzoek was voornamelijk het totaalbeeld van invaliderende beperkingen en de te verwachten totale afhankelijkheid van ‘vreemde derden’ bij het wegvallen van zijn ernstig zieke echtgenote. Patiënt kon zijn verzoek goed onderbouwen en was hierin consistent, aldus de specialist ouderengeneeskunde. Zij achtte patiënt wilsbekwaam terzake.

De commissie is van oordeel dat de arts grote behoedzaamheid heeft betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van patiënt. Zij heeft stilgestaan bij de cognitieve achteruitgang van patiënt en de mogelijke druk van de echtgenote. Alles afwegende concludeerde de arts vervolgens dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Daarbij neemt de commissie tevens in aanmerking dat de arts hierin werd bevestigd door de geraadpleegde consulent.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

Consultatie

Indien een arts besluit of twee verschillende artsen besluiten om in te gaan op de euthanasieverzoeken van twee partners, verwachten de commissies dat de arts of artsen in zo’n geval voor ieder van de partners een andere consulent raadpleegt/raadplegen. Deze werkwijze waarborgt dat iedere casus afzonderlijk wordt beoordeeld en alle schijn van niet-onafhankelijkheid bij de beoordeling wordt voorkomen. Beide consulenten moeten zich ervan vergewissen, dat er geen druk bestaat van de ene partner op (het euthanasieverzoek van) de andere partner (EuthanasieCode 2020 pagina 31).

De commissie stelt vast dat overeenkomstig de hierboven omschreven werkwijze bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van twee partners het verzoek van patiënt is beoordeeld door een consulent die niet was betrokken bij het verzoek van zijn partner. Nu patiënt samen met zijn echtgenote in een bed lag, omdat zij beiden bedlegerig waren geworden, heeft de consulent patiënt in het bijzijn van haar gesproken. De consulent gaf daarbij aan dat de echtgenote zich terughoudend opstelde en alleen antwoordde op zijn verzoek. Hieruit volgt naar het oordeel van de commissie dat de consulent zich rekenschap heeft gegeven van deze situatie in het licht van de mogelijke oneigenlijke druk door de echtgenote. De consulent heeft in zijn verslag vervolgens voldoende onderbouwd dat patiënt zijn verzoek vrijwillig heeft gedaan en dat hij op geen enkele wijze druk heeft ervaren, ook niet van zijn partner.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn/haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.

Overige zorgvuldigheidseisen

Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, WTL.