Oordeel 2018-62, zorgvuldig, huisarts, dementie, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Snelle achteruitgang, onafhankelijke specialisten geraadpleegd

Patiënte met dementie, waarbij de toestand plotseling snel achteruit ging. Patiënte sprak regelmatig met de arts over haar verzoek en de arts heeft een klinisch geriater en een ouderenpsychiater geraadpleegd, die patiënte wilsbekwaam ten aanzien van haar verzoek vonden.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënte, een vrouw van 80-90 jaar, werden drie jaar voor het overlijden cognitieve stoornissen, mogelijk vasculaire dementie vastgesteld. Ongeveer acht maanden voor het overlijden was sprake van toenemende verslechtering. Op verzoek van de arts heeft een onafhankelijk klinisch geriater patiënte ruim zes maanden voor het overlijden onderzocht. Deze stelde dat bij patiënte sprake was van vasculaire dementie, licht tot matig van aard.

Genezing was niet mogelijk. De behandeling was uitsluitend palliatief van aard. Tevens was bij patiënte sprake van maculadegeneratie en presbyacusis. Het lijden van patiënte bestond uit toenemende cognitieve en lichamelijke achteruitgang en toenemende afhankelijkheid. Zij kampte hierbij met verlies van overzicht en loopstoornissen. Patiënte beleefde de plotselinge verslechtering van de dementie als zeer beangstigend.

Zij leed onder het verlies van regie over haar leven en  zij vreesde verder geestelijk verval, waardoor zij haar zelfstandigheid en waardigheid zou verliezen of haar euthanasiewens niet meer zou kunnen uiten. Patiënte had in de psychiatrie gewerkt, daar voorbeelden gezien van dementerende patiënten en wilde zelf niet in een dergelijke situatie terecht komen Zij wilde absoluut niet volledig afhankelijk worden of opgenomen worden in een instelling.

Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënte ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënte aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënte voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënte had eerder en regelmatig met de arts over euthanasie gesproken. Voornoemde klinisch geriater achtte patiënte ruim zes maanden voor het overlijden wilsbekwaam ten aanzien van het verzoek betreffende haar levenseinde. Volgens de klinisch geriater was de euthanasiewens op dat moment nog niet actueel omdat nog geen sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

Op verzoek van de arts heeft voorts een onafhankelijk ouderenpsychiater patiënte ongeveer drieënhalve maand voor het overlijden onderzocht. De toestand van patiënte was op dat moment fors verslechterd. De ouderenpsychiater zag geen aanwijzingen voor een psychiatrisch toestandsbeeld en vond dat patiënte een helder bewustzijn had.

Ongeveer drie weken voor het overlijden heeft patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënte heeft haar verzoek meerdere malen herhaald. Volgens de arts had patiënte goed ziektebesef en -inzicht. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte twee weken voor de levensbeëindiging nadat hij door de arts over patiënte was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.

De consulent gaf in zijn verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënte. De consulent achtte patiënte wilsbekwaam ten aanzien van haar euthanasieverzoek. In zijn verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënte tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

De arts heeft de hulp bij zelfdoding uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts is met patiënte tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.

De commissie constateert dat de arts zowel een klinisch geriater, een ouderenpsychiater als een consulent heeft geraadpleegd met betrekking tot de beoordeling van het euthanasieverzoek van patiënte. Zij komt tot het oordeel dat de arts met grote behoedzaamheid de wilsbekwaamheid van patiënte heeft bepaald. De arts heeft de hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.