Oordeel 2018-59, zorgvuldig, specialist ouderengeneeskunde, kanker, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Gelijktijdig euthanasieverzoek echtpaar

De huisarts kon het gelijktijdige euthanasieverzoek van het echtpaar niet honoreren, waarop zij zich tot de SLK wendden. Beiden kregen verschillende artsen toegewezen en deze artsen raadpleegden afzonderlijk SCEN-artsen. De arts kon tot de overtuiging komen dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënt, een man van 80-90 jaar, werd ongeveer veertien jaar voor het overlijden een prostaatcarcinoom geconstateerd. Ongeveer drie jaar voor het overlijden werden verschillende metastasen geconstateerd. Gedurende deze periode werd hij ook gediagnosticeerd met een myelodysplastisch syndroom.

In de laatste maanden voor het overlijden was er sprake van een snelle verslechtering van zijn toestand. Patiënt ontwikkelde een anemie, waar verschillende (onbehandelbare) oorzaken aan ten grondslag lagen, en kreeg nadien hartklachten. Hij werd voorzien van bloedtransfusies, maar na verloop van tijd merkte hij steeds minder de positieve invloed hiervan. Noodgedwongen verhuisde hij samen met zijn echtgenote naar een revalidatieoord. Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.

Het lijden van patiënt bestond uit algehele lichamelijke achteruitgang. Hij had pijnklachten, waarvoor pijnmedicatie onvoldoende soelaas bood. Daarnaast had hij een slechte lichamelijke conditie en voelde hij zich chronisch vermoeid. Patiënt, die voorheen een actieve en ondernemende man was, ontleende zijn levensgeluk aan het ondernemen van reizen en het deelnemen aan culturele activiteiten. Hij bleek hier echter niet meer toe in staat. Alle bezigheden die zijn leven kleur gaven vielen weg.

Gedurende lange tijd had patiënt zich grootgehouden om zijn dementerende echtgenote te verzorgen, maar op een gegeven moment kon hij dit vrijwel niet meer opbrengen. In de nabije toekomst diende zij in een verpleeghuis te worden opgenomen. De echtgenoten beschouwden hun beider situaties als een ernstige ontluistering.

Patiënt leed onder zijn steeds kleiner wordende wereld, de toenemende zorgafhankelijkheid en de uitzichtloosheid van zijn situatie. Hij had geen perspectief meer op een voor hem zinvol bestaan. Hij wilde samen met zijn echtgenote waardig sterven.

Patiënt ervoer zijn lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënt ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënt aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënt voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en zijn vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

De echtgenoten hadden eerder met de huisarts over duo–euthanasie gesproken. De huisarts kon de onderling samenhangende verzoeken niet honoreren, omdat hij de casus omwille van verschillende redenen te complex vond. Daarna wendden de echtgenoten zich ongeveer tweeënhalve maand voor het overlijden tot de SLK. Beiden kregen verschillende artsen toegewezen om de casussen onafhankelijk van elkaar te beoordelen.

De arts heeft viermaal uitvoerig met patiënt over zijn verzoek gesproken. Het eerste bezoek vond ongeveer twee maanden voor het overlijden plaats. Direct tijdens dit gesprek heeft patiënt de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënt heeft zijn verzoek in de drie daarop volgende gesprekken tegenover de arts herhaald.

De arts constateerde dat patiënt over professionele kennis omtrent euthanasie en hulp bij zelfdoding beschikte en dat hij zich bewust was van de strekking van zijn verzoek. De arts vond geen aanknopingspunten om een cognitieve stoornis of stemmingsproblemen aan te nemen en was ervan overtuigd dat patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn verzoek. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënt ongeveer tweeënhalve week voor de levensbeëindiging nadat zij door de arts over patiënt was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.

De consulent gaf in haar verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënt. De consulent vond het verzoek van patiënt weloverwogen. De consulent concludeerde dat patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn verzoek. In haar verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënt tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

De arts heeft de hulp bij zelfdoding uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Met betrekking tot de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek en de raadpleging van een andere, onafhankelijke arts overweegt de commissie het volgende.

In het geval partners gelijktijdig een verzoek tot uitvoering van euthanasie doen, moet vaststaan dat het verzoek van de ene partner niet is beïnvloed of is ingegeven door dat van de andere partner. Daarom moet komen vast te staan dat elk van beide verzoeken vrijwillig en weloverwogen is gedaan. Dit vergt van de arts, en ook van de consulent, extra behoedzaamheid waar het gaat om de beoordeling van elk verzoek.

Indien een arts besluit of, zoals in dit geval, twee verschillende artsen besluiten om in te gaan op de euthanasieverzoeken van twee partners, verdient het volgens de commissie sterk de voorkeur dat de artsen elk een consulent raadplegen die beoordeelt of aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Deze werkwijze waarborgt dat elk verzoek afzonderlijk wordt beoordeeld en alle schijn van niet-onafhankelijkheid bij de beoordeling wordt voorkomen. In een dergelijke situatie moeten de beide consulenten zich ervan vergewissen, dat er geen oneigenlijk druk bestaat van de ene partner op het verzoek van de andere partner.

Wat dit laatste aangaat, is de commissie uit het verslag van de consulent gebleken dat patiënt zijn verzoek vrijwillig heeft gedaan en dat hij op geen enkele wijze druk heeft ervaren, ook niet van zijn partner. De commissie stelt verder vast, geheel in lijn met haar hierboven weergegeven opvatting, dat bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van twee partners het verzoek van patiënt is beoordeeld door een consulent die niet was betrokken bij het verzoek van zijn partner.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts is met patiënt tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Bekijk het oordeel van de echtgenote