Oordeel 2018-05, zorgvuldig, huisarts, (verder gevorderde) dementie, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Mogelijke onrust verkleinen door toediening premedicatie

De arts was door vele gesprekken overtuigd van de euthanasiewens van patiënt, hetgeen bevestigd werd door de consulent en een onafhankelijk psychiater. De arts had de uitvoering goed voor besproken met patiënt en diens familie. Zij had gewezen op de mogelijke noodzaak van premedicatie en daarbij aangegeven de procedure te stoppen als patiënt bezwaar zou maken tegen toediening van premedicatie. Voorafgaande aan de daadwerkelijke uitvoering was patiënt kalm en ontspannen. Hij had verklaard zich te realiseren dat hij zo zou sterven.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënt, een man van 80-90 jaar, was vanaf vier jaar voor het overlijden sprake van onder andere geheugen- en gedragsproblemen. Het jaar erop werd hij gediagnosticeerd met de ziekte van Alzheimer. Als gevolg hiervan ging patiënt cognitief steeds verder achteruit. Vanwege een onhoudbare thuissituatie werd hij in vijf maanden voor het overlijden opgenomen op een psychogeriatrische afdeling van een verpleeghuis.
Verder was patiënt zes jaar voor het overlijden bekend met een curatief behandeld coloncarcinoom en was er sprake van artrose van de knieën, heupen en rug en balansproblemen. Genezing van de ziekte van Alzheimer is niet mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.

Het lijden van patiënt bestond uit toenemende cognitieve stoornissen waardoor hij steeds meer werd beperkt. Patiënt had fatische stoornissen waardoor hij zichzelf niet meer goed kon uitdrukken en hij niet meer in staat was om overzicht te houden. Daarnaast kon hij door zijn apraxie steeds minder en was hij niet meer in staat om voor zichzelf te zorgen. Patiënt, die altijd een rustige en zachtaardige man was geweest, was door zijn beperkingen vaak geprikkeld, boos, gefrustreerd en achterdochtig. Hij had het gevoel overal buiten te staan en vond het vreselijk dat hij niet meer thuis kon wonen bij zijn echtgenote. Hij voelde een grote leegte doordat nagenoeg alles was weggevallen en ervoer het wonen in het verpleeghuis als een gevangenschap.

Patiënt leed onder het verlies van zijn cognitieve vermogens, het verlies van zijn vrijheid en het verlies van de regie over zijn leven. Tevens leed hij onder de uitzichtloosheid van zijn situatie en het dreigende verlies van het niet meer kunnen herkennen van zijn naasten.
Patiënt ervoer zijn lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënt ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was.
Er waren geen voor patiënt aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënt voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en zijn vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënt had vanaf vier maanden voor het overlijden, sinds zijn opname in het verpleeghuis, wekelijks met de arts over euthanasie gesproken en zijn euthanasiewens naar voren gebracht. Tevens had patiënt anderhalf jaar voor het overlijden een schriftelijke wilsverklaring opgesteld. De daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging kon patiënt niet verzoeken door zijn ziekte met daarbij een verminderd tijdsbegrip en fatische stoornissen. Gelet op de gesprekken bestond er echter bij de arts geen twijfel over de euthanasiewens van patiënt.

Op verzoek van de arts werd patiënt een maand voor het overlijden onderzocht door een onafhankelijke psychiater ter beoordeling van stemmingsstoornissen en van zijn wilsbekwaamheid. Deze concludeerde dat patiënt een bewuste euthanasiewens had. Volgens de onafhankelijke psychiater was er geen sprake van een depressieve stoornis, maar van een aanpassingsstoornis met wisselend geagiteerde stemming welke mogelijk met medicatie zou kunnen afnemen.

De arts constateerde dat patiënt nagenoeg tijdens alle gesprekken over zijn lijden sprak en aangaf dat hij daarom niet meer verder wenste te leven. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënt twee weken voor de levensbeëindiging nadat zij door de arts over patiënt was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.
De consulent gaf in haar verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënt. De consulent was ervan overtuigd dat, ondanks de cognitieve en fatische beperkingen, er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek en dat er bij patiënt een goed ziekte-inzicht bestond. De consulent had de verwachting dat het voor patiënt, gezien zijn cognitieve beperkingen, moeilijk zou zijn om aan te geven wanneer hij de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging zou wensen. De consulent adviseerde de arts om vooral te proberen om dit door patiënt te laten aangeven en daarbij zorgvuldig met de familie van patiënt de uitvoering voor te bespreken om eventuele angst en paniek bij patiënt te voorkomen.
In haar verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënt tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

Voorafgaande aan de uitvoering heeft de arts de uitvoering goed besproken met patiënt en diens familie. Zo had zij gewezen op de mogelijke noodzaak van premedicatie en daarbij aangegeven de procedure te stoppen als patiënt bezwaar zou maken tegen toediening van premedicatie.

Om de kans op onrust bij patiënt zo klein mogelijk te houden, besloot de arts tenslotte om een dag vóór de uitvoering zelf het infuus bij patiënt in te brengen. Voorafgaande aan de uitvoering was patiënt kalm en ontspannen. Hij had verklaard zich te realiseren dat hij zo zou sterven. Hij was er klaar voor.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Daarbij is van belang dat de arts aannemelijk heeft gemaakt dat patiënt ondanks de fatische en woordvindstoornissen, tot op het moment van uitvoering duidelijk kon aangeven dat hij wilde sterven.

De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts is met patiënt tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.