Oordeel 2023-121, zorgvuldig, combinatie van aandoeningen, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing.

Een vrouw met uitgebreide somatische klachten die een euthanasieverzoek deed bij het Expertisecentrum Euthanasie. Tijdens een behandeltraject in het verleden werd geconstateerd dat ook sprake was van een psychische stoornis. De voormalig huisarts zag nog behandelmogelijkheden. De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater om te beoordelen of de psychische stoornis een rol speelde bij haar euthanasieverzoek en of er nog redelijke behandelmogelijkheden waren.

Het komt ook regelmatig voor dat vooral somatische aandoeningen de lijdensdruk van de patiënt veroorzaken en dat de patiënt daarnaast een psychische stoornis heeft. Deze stoornis kan ook bijdragen aan de door de patiënt ervaren lijdensdruk. Ook in deze gevallen zullen de arts en de consulent nadrukkelijk moeten overwegen of de psychische stoornis van de patiënt de vrijwilligheid of de weloverwogenheid van zijn verzoek mogelijk in de weg staat. Als de consulent geen psychiater is, kan het ook in een dergelijk geval nodig zijn een psychiater om advies te vragen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (zie EuthanasieCode 2022, pagina 48). De vraag of er sprake is van redelijke andere oplossingen moet worden beoordeeld in het licht van de diagnose en prognose. In gevallen waarin de arts onvoldoende deskundig is om te beoordelen of er redelijke alternatieven zijn, is het aangewezen dat hij nagaat of er artsen bij de behandeling betrokken waren die wat dat betreft deskundig zijn of dat hij een collega raadpleegt met meer deskundigheid op het betreffende gebied (zie EuthanasieCode 2022, pagina 28).

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de betreffende melding.
 

Een vrouw, tussen de 70 en 80 jaar oud, had een combinatie van aandoeningen. Zij leed aan chronische jeuk door eczeem. Daarnaast had de vrouw chronische pijnklachten als gevolg van fibromyalgie en polyartrose. Ook had zij osteoporose (botontkalking), waardoor zij ingezakte wervels had. De vrouw had de hele dag onbehandelbare jeuk, waardoor zij ook slecht sliep. Daarnaast had zij veel pijnklachten in haar lichaam. De vrouw raakte helemaal uitgeput. Zij was sterk vermagerd geraakt en kon nog maar nauwelijks staan of lopen. De vrouw kon niet meer de dingen doen die het leven voor haar waardevol maakten en zij vroeg de arts om euthanasie.

De vrouw had met haar huisarts over haar euthanasieverzoek gesproken, maar de huisarts vond de euthanasiewens inconsistent en zag nog behandelopties voor haar. De vrouw meldde zich toen aan bij het Expertisecentrum Euthanasie. De arts heeft viermaal met de vrouw over haar euthanasieverzoek gesproken. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Volgens de arts was zij niet depressief en was het lijden van haar gebaseerd op haar somatische klachten. De arts was er voorts van overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren voor haar geen aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

Omdat er in de behandelgeschiedenis van de vrouw werd gesteld dat zij een psychische stoornis had, raadpleegde de arts een onafhankelijk psychiater. De onafhankelijk psychiater onderzocht haar ruim een maand voor het overlijden. De onafhankelijk psychiater kwam tot de conclusie dat de vrouw wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek en dat er geen sprake was van ernstige psychiatrische problematiek. Het euthanasieverzoek van de vrouw kwam voort uit haar verschillende somatische aandoeningen. Er waren wat aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, maar vanwege haar zeer slechte lichamelijke toestand zag de onafhankelijk psychiater daarvoor geen redelijke behandelmogelijkheden meer.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de vrouw eenmaal vóór het bezoek van de onafhankelijk psychiater en nog een keer daarna. De consulent kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde vervolgens de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Voor de commissie stond voldoende vast dat vooral somatische aandoeningen de lijdensdruk van de vrouw veroorzaakten. De arts, consulent en onafhankelijk psychiater hadden nadrukkelijk overwogen dat de psychische stoornis van de vrouw de vrijwilligheid en weloverwogenheid van haar verzoek niet in de weg stond.  Daarnaast was het voor de commissie duidelijk geworden dat er geen redelijke andere oplossing meer was, omdat er geen behandeling werd gezien die nog kans van slagen had.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.