Geen redelijke andere oplossing

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

De arts moet met de patiënt tot de overtuiging zijn gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was. Op deze pagina vindt u onder het tabblad 'Uitspraken' oordelen van de toetsingscommissie die betrekking hebben op de zorgvuldigheidseis 'geen redelijke andere oplossing'.

De arts moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Deze zorgvuldigheidseis, die gezien moet worden in relatie tot de uitzichtloosheid van het lijden, houdt verband met het ingrijpende en onomkeerbare karakter van euthanasie. Als er minder ingrijpende manieren zijn om het ondraaglijk lijden van de patiënt weg te nemen  of wezenlijk te verminderen, behoort daaraan de voorkeur te worden gegeven.

 

De vraag of er sprake is van redelijke andere oplossingen moet worden beoordeeld in het lichtvan de actuele diagnose. In gevallen waarin de arts onvoldoende deskundig is om te beoordelen of er redelijke alternatieven zijn, is het aangewezen dat hij nagaat of ter zake deskundige artsen bij de behandeling betrokken waren of dat hij een collega raadpleegt met meer deskundigheid op het betreffende gebied. Dat hij dit gedaan heeft, zal uit de verslaglegging van de arts moeten blijken. Het gaat bij deze zorgvuldigheidseis om een overtuiging van arts en patiënt gezamenlijk. Dit betekent dat de beleving en de wensen van de patiënt een belangrijke rol spelen. Er is sprake van een alternatief voor euthanasie als er een reële, en voor de patiënt redelijke, uitweg is om het lijden te verzachten of weg te nemen. De voordelen van het alternatief moeten groter zijn dan de nadelen. ‘Redelijk’ houdt onder meer in dat er een gunstige verhouding is tussen het met het alternatief te bereiken effect en de belasting daarvan voor de patiënt. Ook moet de door het alternatief te bereiken verbetering op afzienbare termijn kunnen worden gerealiseerd; hierbij speelt de levensverwachting van de patiënt een rol. De mogelijke belasting voor de patiënt moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, zoals het aantal behandelingen dat een patiënt al ondergaan heeft, de eventuele bijwerkingen van een behandeling, de fase van het ziekteproces van de patiënt en diens leeftijd, medische situatie en fysieke en psychische draagkracht. Het is niet noodzakelijk dat alle denkbare mogelijkheden worden uitgeprobeerd. Soms geldt: “genoeg is genoeg”.

 

Een ingrijpende of langdurige interventie met een beperkt resultaat zal in het algemeen niet als een “redelijk alternatief” kunnen worden aangemerkt. Een medische ingreep of behandeling die het lijden substantieel kan verminderen of wegnemen, gedurende een langere termijn, zal doorgaans een “redelijk alternatief” zijn. Een wilsbekwame patiënt heeft vanzelfsprekend het recht een dergelijke interventie te weigeren, maar het gevolg van die weigering kan zijn dat een verzoek van de patiënt om euthanasie op dat moment niet zal kunnen worden ingewilligd.

 

Rond het levenseinde speelt palliatieve zorg (waaronder begrepen pijnbestrijding en palliatieve sedatie) een belangrijke rol. In gevallen waarin het lijden van de patiënt (in overwegende mate) samenhangt met pijn, kan pijnstilling een alternatief zijn voor euthanasie. Een patiënt kan echter goede redenen hebben om palliatieve zorg te weigeren, bijvoorbeeld omdat hij niet suf wil worden (door hogere doseringen morfine) of zijn bewustzijn niet wil verliezen (door palliatieve sedatie). Belangrijk is dat de arts de patiënt goed voorlicht over de voor- en nadelen van palliatieve zorg, maar de uiteindelijke beslissing om van deze optie gebruik te maken ligt bij de patiënt.

 

Er is dus sprake van een redelijke andere oplossing indien deze:

a. leidt tot een wezenlijke vermindering van het ondraaglijk lijden van de patiënt;

b. effect heeft binnen een redelijke termijn;

c. een aanvaardbare verhouding heeft tussen voor- en nadelen (effect versus belasting).

 

Bij het beoordelen van de vraag of een oplossing ‘redelijk’ is, heeft de patiënt een belangrijke stem. Van de arts wordt verwacht dat hij in zijn verslaglegging ten behoeve van de commissie aangeeft of er alternatieven waren, hoe hij deze met de patiënt heeft besproken, en waarom deze voor de patiënt niet redelijk waren.

Ontbreken van een redelijke andere oplossing: kernpunten

  • Gezamenlijke opvatting arts en patiënt
  • Redelijke andere oplossing, wezenlijke impact op het lijden, effect op afzienbare termijn, gedurende een langere tijd, gunstige verhouding voor- en nadelen,
  • De belasting voor de patiënt beoordelen in het licht van diens specifieke omstandigheden
  • Patiënt mag (palliatieve) zorg of behandeling weigeren, dit hoeft niet altijd aan inwilliging verzoek in de weg te staan

 

Bron: Code of Practice