Patiënt leed aan verschillende somatische aandoeningen en had daarbij een licht verstandelijke beperking met een vermoeden van een autismespectrumstoornis. Om de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt te toetsen raadpleegde de arts een onafhankelijk deskundige psychiater. De psychiater twijfelde enigszins over de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt en adviseerde de arts om een andere deskundige meer gespecialiseerd in patiënten met een licht verstandelijke beperking in te schakelen voor een wilsbekwaamheidsbeoordeling. De arts raadpleegde daarom een tweede onafhankelijk deskundige, een arts voor verstandelijk gehandicapten. Deze kwam tot de conclusie dat de patiënt wel wilsbekwaam ter zake was. Ook de SCEN-arts had hier geen twijfels over. De commissie concludeert dat de arts tot de overtuiging konden komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
De patiënt, een man van tussen de 60-70 jaar, leed aan niet aangeboren hersenletsel als gevolg van een mazelen-encefalitis die hij doormaakte op jonge leeftijd. Bij de patiënt was sprake van zeer slechte visus, quadriplegie, epilepsie, een licht verstandelijke beperking en speelde het vermoeden van autismespectrumstoornis (hierna: ASS). De mobiliteit van de patiënt nam in de afgelopen jaren steeds verder af waardoor hij uiteindelijk afhankelijk werd van een trippelstoel. De beperkingen van de patiënt leidden ertoe dat hij steeds minder zelfstandig kon. Hierdoor had hij steeds minder contact met anderen en werd zijn leefwereld alsmaar kleiner. Dat maakte hem somber.
De patiënt had al acht jaar een latente doodswens. Dit werd ruim anderhalf jaar voor zijn overlijden concreter toen de patiënt voor het eerst met zijn eigen huisarts sprak over zijn actieve euthanasiewens. De huisarts van de patiënt vond het euthanasieverzoek invoelbaar, maar te complex en verwees hem daarom door naar het Expertisecentrum Euthanasie (hierna: EE). De arts heeft vijf gesprekken gehad met de patiënt. Tijdens het eerste gesprek, ongeveer zeven maanden voor het overlijden, verzocht de patiënt de arts om uitvoering van de euthanasie. Hij herhaalde zijn verzoek in alle hierop volgende gesprekken.
De arts raadpleegde ruim zeven maanden voor het overlijden een onafhankelijk deskundige, tevens psychiater. De psychiater concludeerde dat de patiënt niet geheel wilsbekwaam ter zake was. Daarbij adviseerde hij dat indien arts wél volledig overtuigd was van de wilsbekwaamheid ter zake, om een formele toetsing van wilsbekwaamheid te laten uitvoeren door een arts verstandelijk gehandicapten (hierna: VG-arts) met specifieke deskundigheid op het gebied van het ziektebeeld van de patiënt. De arts kon zich niet vinden in de conclusie van de psychiater, maar volgde wel zijn advies op door een andere onafhankelijk deskundige, tevens VG-arts, te raadplegen. De VG arts bezocht de patiënt zes weken voor zijn overlijden en achtte hem wel wilsbekwaam ter zake van zijn euthanasiewens.
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de patiënt ongeveer één maand voor zijn overlijden. De consulent kwam in zijn verslag tot de conclusie dat was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
De patiënt in deze melding had een licht verstandelijke beperking. Ook werd vermoed dat hij een autismespectrumstoornis had. Om te onderzoeken of dit de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt had kunnen beïnvloeden heeft de arts twee onafhankelijk deskundigen geraadpleegd. De eerst geraadpleegde deskundige achtte de patiënt niet wilsbekwaam ten aanzien van zijn euthanasieverzoek. Daarom raadpleegde de arts een tweede onafhankelijk deskundige, deze achtte de patiënt wel wilsbekwaam ter zake. De commissie heeft daarom nader stilgestaan bij de zorgvuldigheidseis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2, eerste lid, onder a Wtl).
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Juridisch kader
Het verzoek van de patiënt moet vrijwillig zijn. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten. In de eerste plaats moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). De arts moet zich ervan overtuigen dat van dergelijke invloed geen sprake is. Aandacht vraagt ook de situatie waarin een naaste van de patiënt zich te nadrukkelijk mengt in het gesprek tussen de arts en de patiënt, of voortdurend antwoorden geeft die de arts van de patiënt zelf wil horen. Dergelijke omstandigheden kunnen het nodig maken dat de arts ook onder vier ogen met de patiënt spreekt. Dat een patiënt zelf meent een belasting voor anderen te zijn en mede om die reden om euthanasie verzoekt, hoeft niet te betekenen dat daarom van vrijwilligheid geen sprake is.
In de tweede plaats moet de patiënt wilsbekwaam zijn ten aanzien van zijn euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Dat betekent dat de patiënt voldoet aan vier kenmerken. Hij is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over zijn euthanasieverzoek. Hij kan de relevante (medische) informatie over zijn situatie en prognose begrijpen. Hij heeft ziekte-inzicht: dat wil in dit verband zeggen dat de patiënt overzicht heeft over zijn situatie en de gevolgen van euthanasie en over eventuele alternatieven. Tot slot is hij in staat duidelijk te maken waarom hij euthanasie wil (EuthanasieCode, pagina 12).Feiten in deze melding
Het is de commissie uit het dossier gebleken dat de arts nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt. De patiënt was bekend met een licht verstandelijke beperking. Daarnaast was er het vermoeden dat hij ook een autismespectrumstoornis (hierna: ASS) had. De arts was gedurende het gehele euthanasietraject overtuigd van de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt, maar in verband met zijn licht verstandelijke beperking en de vermoedens van ASS heeft de arts een deskundigenbeoordeling aangevraagd om zijn wilsbekwaamheid formeel te toetsen.De eerste onafhankelijk deskundige, tevens psychiater, onderzocht de patiënt ruim zeven maanden voor zijn overlijden. De psychiater baseerde zijn onderzoek op o.a. een uitgebreid gesprek met de patiënt, een gesprek met de patiënt en zijn behandelteam, de relevante medische voorgeschiedenis en de gespreksverslagen van het EE-team. Het viel de psychiater tijdens de gesprekken met de patiënt op dat hij een beperkte woordenschat had en de moeilijkere/abstracte woorden die hij gebruikte vaak niet kon uitleggen. De psychiater constateerde dat de patiënt het vermogen had een keuze uit te drukken, maar was van mening dat hij in zeer beperkte mate nieuwe informatie kon begrijpen, reproduceren en betrekken bij zijn eigen situatie. De patiënt wist wel wat euthanasie in praktische zin inhield. Ook leek hij de consequenties voor zichzelf goed in te kunnen schatten, maar kon zich volgens de psychiater niet goed verplaatsen in de consequenties voor een ander. De psychiater merkte geen onaanvaardbare invloed van naasten op de euthanasiewens van de patiënt, wel dat zij het moeilijk vonden maar hem desalniettemin steunden in zijn wens.
De psychiater heeft de patiënt beoordeeld op basis van de criteria van Appelbaum en Grisso en daarnaast de overige criteria van Liégeois. Alles beschouwende vond de psychiater dat de patiënt aan de hand van deze criteria te veel beperkingen liet zien en achtte hem daarom niet wilsbekwaam ter zake. De psychiater adviseerde, als de arts zich niet in deze conclusie kon vinden, om de wilsbekwaamheid te laten beoordelen door een VG-arts met specifieke deskundigheid in het formeel toetsen wilsbekwaamheid bij euthanasieverzoeken bij mensen met een verstandelijke beperking. Dit vond de psychiater raadzaam omdat artsen met deze expertise de besluitvaardigheid van de patiënt met gespreksvoering en setting zouden kunnen optimaliseren. De arts kon zich niet vinden in de conclusie van de psychiater. De arts van mening dat de patiënt zijn verhaal goed kon vertellen en was ervan overtuigd dat hij snapte wat hij vroeg en wat de consequenties ervan zouden zijn. Omdat de arts wel overtuigd was van de wilsbekwaamheid ter zake heeft hij het advies van de psychiater opgevolgd en een onafhankelijk deskundige met een andere expertise geraadpleegd.
De tweede onafhankelijk deskundige, tevens VG-arts, bezocht de patiënt twee keer in de maand voor zijn overlijden. De VG-arts baseerde haar onderzoek op een twee uitgebreide gesprekken met de patiënt zelf, een gesprek met zijn broer en zus en een gesprek met zijn persoonlijk begeleider. Ook betrok zij de relevante medische voorgeschiedenis en de gespreksverslagen van het EE bij haar onderzoek. Uit de stukken blijkt dat het eerste gesprek tussen de VG-arts en de patiënt redelijk goed begon. De patiënt kon duidelijk zijn ziektegeschiedenis vertellen en uitleggen waarom de toenemende zorgafhankelijkheid voor hem uitzichtloos lijden betekende. Bij doorvragen over de impact van zijn verzoek op naasten werd het gesprek moeilijker en gaf de patiënt aan daar geen antwoord op te kunnen geven. De VG-arts plande een vervolggesprek in met de patiënt waarbij zij afspraken dat hij dan ook moest proberen de moeilijke vragen te beantwoorden om verder te kunnen gaan in zijn euthanasietraject. In het tweede gesprek leek de patiënt meer open en antwoorde hij ook adequaat bij doorvragen over meer ingewikkelde onderwerpen. De VG-arts concludeerde dat de patiënt de relevante informatie goed kon begrijpen en reproduceren. De patiënt motiveerde zijn euthanasiewens volgens haar op invoelbare en begrijpelijke wijze. De VG-arts heeft ook getoetst of de patiënt geen vaste riedel herhaalde door op bepaalde zaken expliciet door te vragen. Zij bemerkte duidelijk dat de patiënt in het tweede gesprek beter uit zijn woorden kon komen waarin hij voorbeelden gaf hoe zijn aftakeling maakte dat hij zijn zelfstandigheid verloor en waarom hij daar somber van werd. De VG-arts toetste de wilsbekwaamheid van de patiënt aan de hand van de criteria van Liégeois en kwam tot de conclusie dat hij wilsbekwaam ter zake was. Tijdens de gesprekken nam de VG-arts geen dwingende invloeden van naasten waar.De consulent beschrijft in zijn verslag dat de patiënt helder was en zijn euthanasiewens gestructureerd en weloverwogen kon verwoorden. Ook bemerkte hij geen druk vanuit de familie of anderen. De consulent achtte de patiënt wilsbekwaam ter zake van zijn euthanasiewens en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.
Oordeel van de commissie
De commissie stelt op basis van het dossier vast dat in de verschillende gesprekken die de arts en de patiënt samen hebben gevoerd de patiënt zijn euthanasiewens consistent uitte. De commissie is van mening dat de arts grote behoedzaamheid heeft betracht door twee onafhankelijk deskundigen met verschillende expertises te raadplegen om de invloed van de licht verstandelijke beperking en de mogelijke ASS van de patiënt op het euthanasieverzoek te onderzoeken. De arts heeft volgens de commissie voldoende gereflecteerd op het afwijkende oordeel van de psychiater en duidelijk aangegeven waarom hij het niet met zijn oordeel eens was. Daarbij is het de commissie positief opgevallen dat de psychiater de arts ook wees op de mogelijkheid een ander deskundigheidsgebied te raadplegen die beter bij de situatie van de patiënt paste. De arts heeft het oordeel van de psychiater ter harte genomen, ook al was hij het niet eens met diens oordeel over de wilsbekwaamheid, en zocht naar een passendere invalshoek door een VG-arts te raadplegen die gespecialiseerd was in wilsbekwaamheidsbeoordelingen bij mensen met een licht verstandelijke beperking. Uit stukken blijkt dat de VG-arts zich heeft ingespannen om het onderzoek goed te laten aansluiten op het niveau en de beperkingen/mogelijkheden van de patiënt. De arts is volgens de commissie niet over één nacht ijs gegaan en heeft zorgvuldig de beoordelingen van de verschillende deskundigen afgewogen en het euthanasietraject hier verder op afgestemd.
Er waren voor de commissie geen aanwijzingen dat sprake was van beïnvloeding van buitenaf. Ook betrekt de commissie in haar oordeel dat de consulent de arts steunde in zijn bevindingen. De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënt.Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van patiënt. De commissie is van oordeel dat de arts de patiënt voldoende heeft voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl