Vragen over de kernbegrippen
In Nederland is het gebruikelijk om euthanasie te omschrijven als 'handelen van een arts dat het leven van een patiënt op diens uitdrukkelijk verzoek beëindigt'. Belangrijk daarbij zijn de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek en het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt.
Er zijn twee vormen voor een vrijwillig levenseinde:
- Bij euthanasie dient de arts de dodelijke middelen (euthanatica) toe aan de patiënt.
- Hulp bij zelfdoding houdt in dat de arts de euthanatica aanreikt aan de patiënt, die deze zelf inneemt. De Wet Toetsing Levensbeëindiging maakt geen principieel verschil tussen beide vormen van levensbeëindigend handelen.
Euthanasie moet worden onderscheiden van diverse andere beslissingen die de arts moet nemen in de laatste levensfase. De volgende beslissingen vallen onder normaal medisch handelen. Dit ligt buiten de sfeer van het strafrecht en daarop is de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst WGBO) van toepassing.
Palliatieve sedatie
Het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van de patiënt om in de laatste levensfase het onbehandelbare lijden weg te nemen. Een arts mag palliatieve sedatie toepassen als hij verwacht dat de patiënt niet langer dan 2 weken te leven heeft.
Pijnbestrijding met als neveneffect een bespoediging van het overlijden
Het doel is dan primair een adequate en proportionele pijnbestrijding, waarvoor de patiënt of zijn vertegenwoordiger (art. 465 WGBO) de toestemming heeft gegeven. De levensbekorting is een (onbedoeld) neveneffect dat als risico wordt aanvaard.
Behandelverbod
Een patiënt of zijn vertegenwoordiger (art. 465 WGBO) geeft geen toestemming voor het inzetten of voortzetten van een medische behandeling. Een arts moet dat respecteren, ook als die weigering het overlijden van de patiënt tot gevolg heeft of bespoedigt.
Staken of nalaten van een medisch zinloze behandeling
Het gaat om een medisch oordeel over de zin van een verdere behandeling. Voor de arts is in een dergelijke situatie overleg met collega’s van belang om het oordeel zoveel mogelijk te objectiveren.
Een SCEN -arts wordt geraadpleegd om zijn oordeel te geven. Eén van de zorgvuldigheidseisen houdt in dat de behandelend arts ten minste één andere onafhankelijke arts moet raadplegen. Deze andere arts (consulent) moet de patiënt zien en schriftelijk zijn oordeel geven of de arts, mocht deze tot uitvoering van euthanasie overgaan, aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen zal voldoen. Artsen kunnen voor deze consultatie een beroep doen op speciaal getrainde en beschikbare SCEN-artsen. SCEN-artsen hebben ook een rol als het gaat om het verlenen van steun aan artsen. Bijvoorbeeld in de vorm van het geven van advies. Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland is een initiatief van de artsenfederatie KNMG.
Vragen over de wetgeving
Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw was de vraag of een arts, die het leven van een ernstig lijdende patiënt op zijn verzoek beëindigd had, "vrij uit" moest gaan onderwerp van discussie. Moderne medische technologie, levenverlengende behandelmethodes, maar de wens bij velen om met betrekking tot het eigen levenseinde zelf te kunnen beschikken plaatsten de discussie regelmatig op de politieke agenda. Dit leidde tot meerdere aanzetten tot wet- en regelgeving.
Intussen werd door artsen euthanasie toegepast en hulp bij zelfdoding verleend. Strafbare handelingen, waarop strafvervolging en rechterlijke uitspraken (ook van de Hoge Raad) volgden. Steeds duidelijker werd onder welke omstandigheden het beroep door de arts op overmacht, bestaande uit noodtoestand (conflict van rechten en plichten)werd ingewilligd. In 1990 kwam de Meldingsprocedure Euthanasie tot stand: tegen de arts die zich hield aan deze criteria werd geen strafvervolging ingesteld. Ondanks deze wettelijk verankerde procedure nam de bereidheid bij artsen om euthanasie en hulp bij zelfdoding te melden slechts gestaag toe. De toetsing in een strafrechtelijke context werd toch als bedreigend ervaren.
Deze meldingsbereidheid was belangrijk voor het realiseren van het overheidsbeleid. Dit beleid was gericht op een transparante, toetsbare euthanasiepraktijk, die ook de zorgvuldige besluitvorming rond het levenseinde ten goede kwam.
Het doel van de Toetsingscommissies Euthanasie, die het Openbaar Ministerie van een zwaarwegend advies moesten voorzien was justitie ''enige afstand plaatsen'' bij het toetsen van euthanasie en hulp bij zelfdoding. De wens om de meldingsbereidheid van de artsen verder te bevorderen en de betrokkenheid van het Openbaar Ministerie tot het noodzakelijke minimum te beperken (verdere "decriminalisering" van artsen) heeft geleid tot een initiatief wetsvoorstel dat door het kabinet in 1998 is overgenomen. In 2002 trad de Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL) in werking.
De wet houdt in dat euthanasie en hulp bij zelfdoding in beginsel strafbaar blijven gesteld (art. 293 en art. 294 Wetboek van Strafrecht), maar geen strafbare gedraging zijn als zij worden verricht door een arts, die zich aan de in de wet (WTL) zelf opgenomen zorgvuldigheidseisen houdt én dit aan de lijkschouwer meldt. De Regionale Toetsingscommissies Euthanasie ( RTE's) zijn in de wet aangewezen om het handelen van de meldend arts te toetsen. Met andere woorden: te oordelen of de arts wel of niet conform de wettelijke zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld.
Nee. Levensbeëindiging op verzoek is, evenals hulp bij zelfdoding, geen plicht van de arts en geen recht van de patiënt.
Het besluit om over te gaan tot euthanasie of hulp bij zelfdoding is een besluit van arts en patiënt gezamenlijk. Arts en patiënt moeten allebei tijd en ruimte krijgen om hun eigen visie te ontwikkelen over de euthanasievraag.
Een arts kan om verschillende redenen geen medewerking verlenen aan een verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding. De arts kan bijvoorbeeld euthanasie en hulp bij zelfdoding op principiële gronden afwijzen. Of hij kan in een concreet geval van mening zijn dat er nog niet aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Wanneer zijn afwijzing op principiële gronden berust moet de arts dit tijdig aan de patiënt laten weten zodat deze zich tot een andere arts kan wenden.
Nee. Tweederde van alle verzoeken hoeft niet te worden ingewilligd. Vaak biedt (palliatieve) behandeling nog uitkomst.
Soms is voor patiënten alleen al de wetenschap dat de arts bereid is om tot euthanasie of hulp bij zelfdoding over te gaan voldoende. Vaak overlijden patiënten nog voordat de uitvoering van hun eerdere verzoek om euthanasie aan de orde is gekomen.
Nee. Euthanasie is, evenals hulp bij zelfdoding, in Nederland in het Wetboek van Strafrecht opgenomen als strafbaar feit. Het is volgens de wet strafbaar een ander te doden of hulp bij zelfdoding te verlenen, ook als die ander hierom uitdrukkelijk heeft verzocht.
Hierop geldt één uitzondering. Als een arts, die euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent, zich daarbij houdt aan de zorgvuldigheidseisen van de Wet toetsing levenbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en dit meldt, is euthanasie of hulp bij zelfdoding niet strafbaar. Als de arts zich niet aan deze eisen heeft gehouden, kan tegen de arts strafrechtelijk worden opgetreden.
Een patiënt die in het buitenland wordt behandeld kan niet "even" uit het buitenland naar Nederland komen om hier euthanasie te laten verrichten.
Bij euthanasie, net zoals bij hulp bij zelfdoding, moet er namelijk een behandelrelatie zijn tussen arts en patiënt. Een arts moet bij het uitvoeren van euthanasie of het verlenen van hulp bij zelfdoding voldoen aan bepaalde zorgvuldigheidseisen. Om daaraan te kunnen voldoen moet de arts de patiënt (goed) kennen.
Een regionale toetsingscommissie bestaat uit drie leden: een jurist (voorzitter van de commissie), een arts en een ethicus. Zij hebben allen een plaatsvervanger.
De secretaris van de commissie, een jurist, heeft een adviserende stem. De leden zijn voor een periode van vier jaar benoemd door de minister van Justitie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De commissieleden beoordelen een euthanasiemelding met het oordeel 'zorgvuldig': volgens de wettelijke zorgvuldigheidseisen uitgevoerd en correct gemeld, of 'onzorgvuldig'. Beoordeelt een commissie een melding als “zorgvuldig” dan is de zaak hiermee afgedaan. De arts ontvangt het oordeel.
Als het oordeel 'onzorgvuldig' is, dan stuurt de commissie het oordeel aan de arts en aan het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze instanties beoordelen elk naar eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid of en welke stappen worden ondernomen tegen de arts.
Vragen over zorgvuldigheidseisen
Euthanasie is, evenals hulp bij zelfdoding, een strafbaar feit. Alleen als artsen zich aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen houden en hun handelen melden is de euthanasie of hulp bij zelfdoding niet strafbaar.
De wettelijke zorgvuldigheidseisen houden in dat de arts:
1. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt
2. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt
3. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten
4. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was
5. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd. Deze arts heeft de patiënt gezien en schriftelijk zijn oordeel gegeven over de bovengenoemde zorgvuldigheidseisen
6. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd
Nee, beoordeling van levensbeëindiging bij pasgeborenen valt onder de taak van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (LZA-LP&K).
Kijk voor meer informatie over dit onderwerp op de site van de beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1-12 jaar (LZA/LP&K)
Vragen over de melding
Een arts moet een niet-natuurlijke dood altijd melden bij de gemeentelijk lijkschouwer. Euthanasie is, evenals hulp bij zelfdoding, een niet-natuurlijke dood, die dus moet worden gemeld. De lijkschouwer brengt de toetsingscommissie op de hoogte.
Bij de melding aan de lijkschouwer voegt de arts een beredeneerd verslag. In dat verslag motiveert de arts waarom hij naar zijn mening bij het inwilligen van een verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding aan de zorgvuldigheidseisen heeft voldaan. Er is een modelverslag beschikbaar dat de arts kan gebruiken.
De gemeentelijk lijkschouwer schouwt het lijk en gaat na hoe en met welke middelen het leven is beëindigd en verzamelt en controleert de benodigde documenten. Vervolgens neemt de gemeentelijke lijkschouwer contact op met de officier van justitie die het verlof tot begraven of cremeren afgeeft. Dan stuurt de gemeentelijke lijkschouwer de documenten door naar de betreffende regionale toetsingscommissie euthanasie. De toetsingscommissie beoordeelt de melding op basis van het verslag van de arts, het verslag van de consulent en -indien aanwezig- de schriftelijke wilsverklaring, een medisch journaal en/of specialistenbrieven. Als de commissie nog vragen heeft, zal zij die veelal schriftelijk maar soms ook telefonisch stellen. Ook is het mogelijk dat de arts en/of de consulent worden/wordt uitgenodigd voor een gesprek.