De patiënt was chronisch depressief als gevolg van een bipolaire stoornis, de arts wilde overgaan tot uitvoering van de euthanasie, maar de eerste SCEN-arts was van mening dat er nog behandelmogelijkheden waren. De arts raadpleegde daarop de behandelend psychiater van de patiënt, die was van oordeel dat de door de SCEN-arts voorgestelde mogelijkheden niet haalbaar waren. De tweede SCEN-arts was daarna van mening dat aan zorgvuldigheidseisen a-d van artikel 2 lid van de Wtl was voldaan.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënt, een man van tussen de 60-70 jaar, was sprake van een chronische depressie bij een eerdere bipolaire stoornis type 1 of 2 en persoonlijkheidsproblematiek van het afhankelijke en vermijdende type. Fysiek was sprake van nierfunctiestoornissen als gevolg van hoge bloeddruk en/of lithium gebruik. De patiënt was in de loop der jaren ambulant begeleid en farmacotherapeutisch behandeld. De behandeling met lithium had de patiënt vanwege zijn nierproblematiek moeten staken. Door zijn persoonlijkheidsproblematiek was een deel van aangereikte adviezen en behandelingen niet van de grond gekomen.
De patiënt leed onder een continu sombere basisstemming en was apathisch, hij kwam niet meer buiten. Hij leed onder een diepgevoelde bestaansleegte.
De eigen huisarts, noch de behandelend psychiater van de patiënt wilden aan zijn euthanasieverzoek gehoor geven. Daarop wendde de patiënt zich tot EE. De arts voerde 7 gesprekken met de patiënt.
De onafhankelijk deskundige, de eerste en de tweede consulent bezochten patiënt respectievelijk zeven maanden, vier maanden en vijf weken voor het overlijden. Op hun bevindingen komt de commissie hierna terug.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze casus kwam het euthanasieverzoek (in overwegende mate) voort uit lijden als gevolg van een psychische stoornis. De arts moet dan met grote behoedzaamheid omgaan met het euthanasieverzoek. Deze behoedzaamheid betreft vooral de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van zijn euthanasieverzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.
Het uitgangspunt van de RTE is dat de arts bij deze patiënten altijd psychiatrische expertise moet inroepen. Doel van het inroepen van psychiatrische expertise is dat de arts zich goed laat voorlichten en kritisch reflecteert op de eigen overtuiging. De onafhankelijk psychiater mag zo nodig behandeladviezen geven. De arts kan zelf beslissen of hij een onafhankelijk psychiater naast een (SCEN-)consulent raadpleegt, óf een (SCEN-)consulent die tevens psychiater is (zie EuthanasieCode, pagina 27-28).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Bij de beoordeling van het verzoek gaat het erom dat de arts uitsluit dat het oordeelsvermogen van de patiënt door de psychische stoornis is aangetast. Is het oordeelsvermogen van de patiënt wat betreft het verzoek onvoldoende, dan is er geen sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts moet erop letten dat de patiënt relevante informatie kan bevatten, ziekte-inzicht heeft en ondubbelzinnig is in zijn overwegingen (zie EuthanasieCode, pagina 27).
De arts was van oordeel dat de patiënt wilsbekwaam was en zijn verzoek vrijwillig en weloverwogen deed. Ook de andere, door de arts geraadpleegde derden (de onafhankelijk psychiater, de eerste consulent, die ook psychiater was en de tweede consulent) lieten in hun verslagen geen enkele twijfel bestaan over de wilsbekwaamheid van de patiënt, zij deelden allen de mening van de arts.
De commissie is van oordeel dat de arts, door het laten toetsen van zijn overtuiging door drie anderen, de grote behoedzaamheid heeft betracht die is vereist bij het vaststellen van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek van de patiënt.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt.
Uitzichtloos lijden en ontbreken redelijke andere oplossing
Waar het gaat om de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing moet de arts nauwkeurig onderzoeken of er nog mogelijkheden zijn om het lijden van de patiënt op te heffen of te verminderen. Wijst de patiënt een redelijk alternatief af, dan is er geen sprake van uitzichtloos lijden. Het is echter niet zo dat een patiënt alle nog denkbare behandelingen en interventies moet ondergaan (Zie EuthanasieCode, pagina 27).
De arts was van oordeel dat er voor de patiënt geen behandelmogelijkheden meer waren of andere redelijke oplossingen om zijn lijden te verlichten. De patiënt had gedurende lange tijd lithium gebruikt, maar had daarmee moeten stoppen vanwege zijn fysieke problemen. Hij gebruikte nog andere stemmingsstabiliserende medicijnen, echter zonder voldoende resultaat.
De onafhankelijk psychiater constateerde dat de patiënt esketamine nog niet geprobeerd had, maar had niet de verwachting dat dat verbetering zou brengen. Elektro-convulsie therapie (ECT) was ook nog niet geprobeerd, maar patiënt wilde dat niet meer en de onafhankelijk psychiater had twijfels over de te verwachten effecten, gelet op het al jarenlange chronische karakter van de depressie. Ook zag hij een belemmering in de schadelijke cognitieve bijwerkingen die ECT kan hebben. Hij concludeerde dat er geen behandelopties meer waren.
De eerste consulent deelde echter die mening niet. Hij was van oordeel dat een ECT behandeling nog wel kans van slagen zou kunnen hebben. Ook een medicamenteuze behandeling met valproïnezuur, lamotrigine of een MAO-remmer zag hij als een mogelijke behandeling.
De arts heeft op die opinie gereflecteerd en heeft de suggesties van de eerste consulent voorgelegd aan de patiënt en de behandelend psychiater van de patiënt. De patiënt heeft zich aanvankelijk op wachtlijsten laten plaatsen voor een ECT behandeling. Die bleken heel lang te zijn. Ook bleek dat patiënt die behandeling alleen wilde ondergaan als hij daarna wél voor euthanasie in aanmerking kon komen.
De behandelend psychiater liet zich in een brief aan de arts uit over de voorgestelde behandelmogelijkheden. Daaruit bleek dat patiënt eerder tijdens manische ontregelingen agressief grensoverschrijdend gedrag vertoond had naar familieleden. De behandelend psychiater, die eerder ECT had overwogen, sloot niet uit dat ECT behandeling een dergelijke manische ontregeling zou kunnen veroorzaken en vond dat een contra-indicatie voor die behandeling. Hij was van oordeel dat, zo die behandeling al zou plaatsvinden, dat in een klinische setting zou moeten gebeuren, om risico’s voor de familie uit te sluiten. Ten aanzien van de voorgestelde medicamenteuze behandelingen was hij van oordeel dat de patiënt, gelet op diens persoonlijkheid, niet in staat zou zijn de strenge dieetbeperkingen die die behandelingen met zich meebrachten, zou kunnen volhouden. Dat zou kunnen leiden tot gevaarlijke situaties, aldus de behandelend psychiater.
Door de lange wachtlijsten voor ECT behandeling verloor de patiënt nadien elke motivatie om die behandeling nog te ondergaan.
De arts raadpleegde daarop de tweede consulent, die aan de hand van de brief van de behandelend psychiater en op basis van de lange wachtlijsten, constateerde dat de behandelingen, zoals voorgesteld door de onafhankelijk psychiater, geen reële opties waren. Hij was op die gronden van mening dat het lijden van patiënt uitzichtloos was en er geen redelijk mogelijkheden meer waren om het lijden van de patiënt te verlichten.
De commissie stelt vast dat de arts de inbreng van een onafhankelijk psychiater, deskundig op het gebied van depressies, en een (SCEN-)consulent tevens psychiater heeft gevraagd. Toen een van beide van oordeel was dat het lijden van patiënt niet uitzichtloos was en er nog redelijke mogelijkheden waren, heeft de arts op die mening gereflecteerd en daarover advies ingewonnen bij het behandelend team van patiënt. Uit hun reactie bleek dat de voorgestelde behandelingen naar hun mening gecontraindiceerd waren.
De arts heeft, naar het oordeel van de commissie, de mening van de behandelaren, die goed onderbouwd was in de aan de arts gerichte brief, zwaar mogen laten meewegen in zijn uiteindelijke overtuiging dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. Het is immers de behandelaar die het best van de patiënt en diens geschiedenis en zijn beperkingen op de hoogte is.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts ook grote behoedzaamheid heeft betracht bij het vaststellen van de uitzichtloosheid van het lijden en dat er voor de situatie waarin de patiënt zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
Ondraaglijk lijden
De commissie is van oordeel dat de ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt uit de stukken voldoende duidelijk is geworden. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat alle bij de casus betrokken artsen ervan overtuigd waren dat het lijden voor deze patiënt ondraaglijk was. De commissie zal hierover dan ook niet nader motiveren.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat bij deze patiënt sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Verder is de commissie van oordeel dat de arts samen met de patiënt tot de overtuiging kon komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts de patiënt voldoende heeft voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.