De commissie had in deze melding een aantal vragen voor de arts. Het viel de commissie namelijk op dat de consulent in zijn verslag noemde dat de patiënt zwakbegaafd was. In het modelverslag van de arts trof de commissie hierover geen reflectie. Ook was aanvankelijk uit de stukken niet duidelijk of de arts voldoende met de patiënt over een redelijke andere oplossing had gesproken en of het lijden van de patiënt wel uitzichtloos was. De commissie heeft de arts schriftelijke vragen gesteld en ook nog mondeling met de arts gesproken. Door het gesprek met de arts kon de commissie tot het oordeel komen dat de arts overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld.
NB: De patiënt kreeg gelijktijdig met zijn echtgenote euthanasie (duo-euthanasie). De echtgenote verzocht vanwege een maligniteit om euthanasie. Deze melding werd met een verkort oordeel afgedaan.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
De patiënt, een man van tussen de 40-50 jaar, leed aan diverse aandoeningen waaronder de ziekte van Addison, Bechterev, buikpijn en ernstige polyneuropathie.
De patiënt had continue pijnklachten. Ook maakte ernstige misselijkheidsklachten en veelvuldig overgeven onderdeel uit van het lijden van de patiënt. De patiënt reed al langere tijd in een scootmobiel en was in de laatste fase van zijn leven rolstoelgebonden. Door zijn voortschrijdende lichamelijke achteruitgang was de patiënt volledig afhankelijk van de zorg van zijn echtgenoot. De echtgenote van de patiënt werd ruim anderhalf jaar voor het overlijden gediagnosticeerd met een terminale ziekte. De echtgenote heeft lang de volledige zorg voor de patiënt gedragen, maar dit was uiteindelijk niet meer mogelijk in verband met haar eigen lichamelijke achteruitgang. De ziekte van zijn echtgenote had ook een grote impact op het leven van de patiënt. De patiënt vond het onverteerbaar om volledig afhankelijk te zijn van de zorg van anderen in plaats van zijn echtgenote.
De arts kende de patiënt en zijn echtgenote al jaren en heeft meermaals uitvoerig met hen over euthanasie gesproken. De patiënt wilde graag samen met zijn echtgenote, die ook een euthanasiewens had, overlijden. Het euthanasietraject van de echtgenote werd eveneens begeleid door de arts. Ongeveer twee maanden voor het overlijden werd het euthanasieverzoek meer concreet en is de arts de euthanasieverzoeken van de patiënt en zijn echtgenote verder gaan onderzoeken.
De patiënt had ruim een maand voor het overlijden contact opgenomen met het Expertisecentrum Euthanasie (hierna: EE) wat betreft zijn euthanasiewens. Het EE kon de patiënt pas helpen na een wachttijd van enkele maanden. Dit was voor de patiënt te lang waarop bij besloot te stoppen met eten en drinken en het innemen van zijn medicatie. Het stoppen van zijn medicatie heeft tot een Addison-crisis geleid waardoor de patiënt nog zieker werd. Hij was continu extreem misselijk en moest veel overgeven. Daarbij bleven de continue pijnklachten aanwezig en verslechterde zijn situatie aanzienlijk. Medicatie tegen de pijn en misselijkheid hielpen onvoldoende.
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de patiënt ongeveer één week voor zijn overlijden. De consulent kwam in zijn verslag tot de conclusie dat was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze casus was sprake van een patiënt die tegelijkertijd met zijn partner verzocht heeft om euthanasie. In dergelijke meldingen (ook wel duo-euthanasie genoemd) wordt door de commissie expliciet onderzocht of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (artikel 2, eerste lid onder a, Wtl) en of er een andere onafhankelijke arts is geraadpleegd dan geraadpleegd is voor het euthanasieverzoek van de echtgenoot van de patiënt (artikel 2, eerste lid onder e, Wtl). De commissie heeft daarom expliciet stilgestaan bij deze eis. Ook heeft de commissie onderzocht of er mogelijk een redelijke andere oplossing bestond voor het lijden van de patiënt.
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Juridisch kader
Het verzoek van de patiënt moet vrijwillig zijn. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten. In de eerste plaats moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). De arts moet zich ervan overtuigen dat van dergelijke invloed geen sprake is. Aandacht vraagt ook de situatie waarin een naaste van de patiënt zich te nadrukkelijk mengt in het gesprek tussen de arts en de patiënt, of voortdurend antwoorden geeft die de arts van de patiënt zelf wil horen. Dergelijke omstandigheden kunnen het nodig maken dat de arts ook onder vier ogen met de patiënt spreekt. Dat een patiënt zelf meent een belasting voor anderen te zijn en mede om die reden om euthanasie verzoekt, hoeft niet te betekenen dat daarom van vrijwilligheid geen sprake is.In de tweede plaats moet de patiënt wilsbekwaam zijn ten aanzien van zijn euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Dat betekent dat de patiënt voldoet aan vier kenmerken. Hij is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over zijn euthanasieverzoek. Hij kan de relevante (medische) informatie over zijn situatie en prognose begrijpen. Hij heeft ziekte-inzicht: dat wil in dit verband zeggen dat de patiënt overzicht heeft over zijn situatie en de gevolgen van euthanasie en over eventuele alternatieven. Tot slot is hij in staat duidelijk te maken waarom hij euthanasie wil (EuthanasieCode, pagina 12).
Overwegingen van de commissie
De commissie stelt vast dat de arts de patiënt en zijn echtgenote al vele jaren kende. Uit de mondelinge toelichting bleek dat het echtpaar een beperkt sociaal netwerk had. Zij waren volledig op elkaar aangewezen en hielden dat graag zo. Uit de stukken blijkt dat de arts de gesprekken over het levenseinde zowel met beide patiënten gezamenlijk, als los van elkaar gevoerd. De patiënt bleef in alle gesprekken consistent in zijn doodswens en voelde geen druk vanuit zijn echtgenote, maar wenste wel graag samen met haar te kunnen overlijden. De consulent beschreef in zijn verslag geen onaanvaardbare invloed van anderen te constateren bij de patiënt.Uit de stukken en de mondelinge toelichting blijkt dat de arts volledig overtuigd was van de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt. De arts beschrijft dat de patiënt goed wist wat hij wilde en ook wat de strekking van zijn verzoek was. De consulent steunde de arts in haar overtuiging dat de patiënt wilsbekwaam ter zake was. De patiënt toonde tijdens het SCEN-consult inzicht en begrip van de situatie waarbij volgens de consulent sprake was van een weloverwogen en consistent euthanasieverzoek. De commissie vond het echter opvallend dat de consulent in zijn verslag beschrijft dat de patiënt mogelijk zwakbegaafd zou zijn, maar dat hij geen twijfels had over de wilsbekwaamheid ter zake van de patiënt. De commissie heeft de arts zowel schriftelijk als mondeling vragen gesteld over deze opmerking van de consulent.
In de toelichting op de vragen van de commissie heeft de arts duidelijk uiteengezet dat er geen sprake was van zwakbegaafdheid bij de patiënt. Er is geen specifiek onderzoek naar gedaan, maar dit heeft de arts ook niet noodzakelijk geacht omdat de patiënt altijd voldoende in staat was om zijn eigen beslissingen te nemen. De commissie kon zich in deze denkwijze vinden. Daarbij is de commissie wel van mening dat het wenselijk was geweest als de arts in haar modelverslag op de opmerking van de consulent had gereflecteerd, maar twijfelt niet aan haar overtuiging. De commissie is van mening dat de arts tijdens de mondelinge toelichting op duidelijke wijze heeft toegelicht waarom zij ervan overtuigd was dat het verzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen was. De arts had een al jarenlang bestaande behandelrelatie met de patiënt en heeft daarnaast uitvoerige gesprekken gehad met de patiënt en zijn echtgenote over hun euthanasiewens. Ook het verslag van de consulent heeft de arts gesteund in haar overtuiging dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt.
Juridisch kader
Het lijden van een patiënt wordt als uitzichtloos beschouwd als de ziekte of aandoening die het lijden veroorzaakt niet te genezen is en het ook niet mogelijk is de symptomen zodanig te verzachten dat daardoor de ondraaglijkheid verdwijnt. De uitzichtloosheid betreft de vraag of er een reëel uitzicht is op het wegnemen of verzachten van de symptomen anders dan door euthanasie. Daarbij moet de arts rekening houden met zowel de mate van verbetering die de behandeling kan bewerkstelligen als met de belasting die deze behandeling voor de patiënt met zich brengt. De uitzichtloosheid moet worden gezien in relatie tot de ziekte of aandoening van de patiënt en de daarmee verbonden symptomen (EuthanasieCode, pagina 14).De arts moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Deze zorgvuldigheidseis, die gezien moet worden in relatie tot de uitzichtloosheid van het lijden, houdt verband met het ingrijpende en onomkeerbare karakter van euthanasie. Als er minder ingrijpende manieren zijn om het ondraaglijk lijden van de patiënt weg te nemen of wezenlijk te verminderen, verdienen die de voorkeur. De vraag of er sprake is van redelijke andere oplossingen moet worden beoordeeld in het licht van de diagnose en prognose.
Het gaat bij deze zorgvuldigheidseis om een overtuiging van de arts en de patiënt gezamenlijk. Dit betekent dat de beleving en de wensen van de patiënt een belangrijke rol spelen. Er is sprake van een alternatief voor euthanasie als er een reële, en voor de patiënt redelijke, mogelijkheid is om het lijden te verzachten of weg te nemen (daarbij hoeft het niet alleen om een medische interventie te gaan). De voordelen van het alternatief moeten groter zijn dan de nadelen. ‘Redelijk’ houdt onder meer in dat er een verhouding is tussen het met het alternatief te bereiken effect en de belasting daarvan voor de patiënt. Ook moet de door het alternatief te bereiken verbetering op afzienbare termijn kunnen worden gerealiseerd; hierbij speelt de levensverwachting van de patiënt een rol. De mogelijke belasting voor de patiënt moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval (EuthanasieCode pagina 15-16).
Overwegingen van de commissie
Uitzichtloos lijden en ontbreken redelijke andere oplossing
De commissie stelt vast dat uit het dossier en de mondelinge toelichting het beeld naar voren komt van een patiënt met een grote lijdensdruk waarbij geen therapeutische opties meer resteerden waar hij open voor zou staan. De patiënt was extreem hulpbehoevend en daarin grotendeels afhankelijk van zijn echtgenote. Uit de mondelinge toelichting blijkt dat de arts zich veelvuldig heeft ingezet om met de patiënt in gesprek te gaan over redelijke alternatieven. Zo heeft de arts meermaals met de patiënt de mogelijkheid tot opname in een verpleeghuis of hospice besproken. De patiënt weigerde dit echter pertinent, een opname was voor hem geen optie. Het echtpaar leefde al langere tijd bewust in sociaal isolement. In eerste instantie werd daarom ook de thuiszorg afgehouden, maar toen beide patiënten verder achteruitgingen en de situatie uiteindelijk onhoudbaar werd heeft de arts de patiënt weten te overtuigen toch een vorm van thuiszorg te accepteren.Ook het herstarten met medicatie om de ergste klachten van de Addison-crisis te beperken heeft de arts met de patiënt besproken, maar dit zou zijn overige pijnklachten en hulpbehoevendheid niet verhelpen. Ook neurologisch ging de patiënt alsmaar achteruit. De arts heeft de optie van palliatieve sedatie met de patiënt besproken, maar dit weigerde hij. De commissie stelt vast dat de fysieke klachten van de patiënt in combinatie met het anticiperend verlies van zijn echtgenote en zijn afhankelijkheid van haar maakte dat de alternatieven die er eventueel waren, niet meer als redelijk konden worden beschouwd. De commissie kan dit in het licht van de persoonlijkheid van de patiënt en zijn leefwijze door de arts geschetst begrijpen.
De consulent steunde de arts in haar visie dat er geen redelijke alternatieven meer waren voor de patiënt. Hij zag het uitgebreide lijden van de patiënt en begreep waarom de patiënt zelf de regie wilde houden.
Ondraaglijk lijden
De commissie is van oordeel dat de ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt uit de stukken, de mondelinge toelichting en zoals hierboven onder “Introductie van de casus” voldoende duidelijk is geworden. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat alle bij de casus betrokken artsen ervan overtuigd waren dat het lijden voor deze patiënt ondraaglijk was.Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat het lijden van de patiënt ondraaglijk en uitzichtloos was en dat er geen redelijke andere oplossingen waren voor de situatie waarin de patiënt zich bevond.
Juridisch kader
Soms komt het voor dat twee partners tegelijkertijd een euthanasieverzoek doen. Als artsen daaraan tegemoetkomen, noemt men dit ‘duo-euthanasie’. De commissies verwachten dat de arts of artsen in zo’n geval voor ieder van de partners een andere consulent raadplegen. Dit is nodig om te waarborgen dat beide verzoeken om euthanasie afzonderlijk worden beoordeeld. Beide consulenten moeten zich ervan vergewissen, dat er geen druk bestaat van de ene partner op (het euthanasieverzoek van) de andere partner (EuthanasieCode, pagina 27).Overwegingen van de commissie
De commissie stelt vast, geheel in lijn met haar hierboven weergegeven opvatting, dat bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van een echtpaar het verzoek van de patiënt is beoordeeld door een andere onafhankelijke arts die niet was betrokken bij het verzoek van zijn echtgenote. Deze andere onafhankelijke arts heeft de patiënt gezien en schriftelijk zijn oordeel gegeven over de zorgvuldigheidseisen. Beide consulenten hebben zich ervan vergewist dat er geen druk bestond van de ene partner op het euthanasieverzoek van de andere partner.De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen de EuthanasieCode voorschrijft wat betreft het raadplegen van twee verschillende consulenten te raadplegen bij een duo-euthanasie.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts de patiënt voldoende heeft voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.