In deze melding had de patiënte twee beroertes doorgemaakt. Hierdoor was haar cognitieve vermogen (vermogen om te denken, problemen op te lossen en zaken te onthouden) afgenomen. In het dossier was de commissie drie zaken opgevallen. Ten eerste las de commissie in het dossier dat er melding was gemaakt van “onderbuikgevoel” na een telefoongesprek met een naaste van de patiënte. Ook was de consulent drie keer langs geweest vanwege twijfels, maar stond in haar verslagen niet dat zij de patiënte ook had gesproken zonder dat er iemand bij was. Tot slot schreef de consulent dat de patiënte een vlakke en sombere indruk maakte. De commissie besloot over deze drie opvallende zaken schriftelijke vragen te stellen aan de arts, omdat zij hierdoor twijfelde of het euthanasieverzoek wel vrijwillig was. Het antwoord van de arts heeft de twijfel bij de commissie weggenomen.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
De patiënte, een vrouw tussen de 80 en 90 jaar, maakte vier jaar voor het overlijden een Cerebro Vasculair Accident (CVA, een beroerte) door. Met name het laatste half jaar voor het overlijden leverde zij in op haar cognitieve vermogen. Twee maanden voor het overlijden maakte zij opnieuw een CVA door. Als gevolg daarvan nam de cognitieve schade toe.
Het lijden van de patiënte bestond uit toenemende cognitieve problemen. De patiënte ervoer dat zij de controle over haar leven verloor. Ze was zich ervan bewust dat ze steeds meer afhankelijk van anderen zou worden en had daar grote moeite mee. De patiënte had de achteruitgang van dichtbij zien gebeuren bij een naaste met hetzelfde ziektebeeld en wilde dat voor zichzelf voorkomen. Verdere verslechtering wilde zij niet meemaken omdat zij bang was de regie verder te verliezen en wilsonbekwaam te worden waardoor zij niet meer zelf om euthanasie zou kunnen verzoeken. De patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk.
De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënte in de maand voorafgaand aan de levensbeëindiging drie keer. De commissie leest in het verslag van de consulent dat bij elk gesprek één of meerdere naasten van de patiënte aanwezig waren.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
De commissie heeft expliciet stilgestaan bij de zorgvuldigheidseis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2, eerste lid, onder a, Wtl). De commissie had na het lezen van het dossier namelijk vragen over de rol van de naasten bij het euthanasieverzoek en over het mogelijke bestaan van een depressie.
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De arts was in deze melding overtuigd dat de patiënte vrijwillig en weloverwogen om euthanasie verzocht. De commissie is van oordeel dat de arts ook tot deze overtuiging heeft kunnen komen. Hieronder legt de commissie uit op grond waarvan zij tot dit oordeel komt.
Het juridisch kader
Deze zorgvuldigheidseis houdt in dat de arts de overtuiging moet hebben gehad dat de patiënt een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie heeft gedaan. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten. Ten eerste moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). De arts moet zich ervan overtuigen dat van dergelijke invloed geen sprake is. Aandacht vraagt ook de situatie waarin een naaste van de patiënt zich te nadrukkelijk mengt in het gesprek tussen de arts en de patiënt, of voortdurend antwoorden geeft die de arts van de patiënt zelf wil horen. Dergelijke omstandigheden kunnen het nodig maken dat de arts ook onder vier ogen met de patiënt spreekt. Dat een patiënt zelf meent een belasting voor anderen te zijn en mede om die reden om euthanasie verzoekt, hoeft niet te betekenen dat daarom van vrijwilligheid geen sprake is (EuthanasieCode 2026, pagina 12).
In de tweede plaats moet de patiënt wilsbekwaam zijn ten aanzien van zijn euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Dat betekent dat de patiënt voldoet aan vier kenmerken. Hij is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over zijn euthanasieverzoek. Hij kan de relevante (medische) informatie over zijn situatie en prognose begrijpen. Hij heeft ziekte-inzicht: dat wil in dit verband zeggen dat de patiënt overzicht heeft over zijn situatie en de gevolgen van euthanasie en over eventuele alternatieven. Tot slot is hij in staat duidelijk te maken waarom hij euthanasie wil (EuthanasieCode 2026, pagina 12).
Het verzoek van de patiënt moet daarnaast weloverwogen zijn. Dat betekent dat de patiënt een zorgvuldige afweging heeft gemaakt op basis van voldoende informatie en een helder ziekte-inzicht (EuthanasieCode 2026, pagina 13).
Verzoek aan de arts om schriftelijke toelichting
Uit de meldingsgegevens waren enkele aspecten voor de commissie niet duidelijk. Daarom heeft de commissie schriftelijke vragen gesteld aan de arts. In het huisartsenjournaal was opgenomen dat sprake was van een “onderbuikgevoel” tijdens een telefoongesprek met een van de naasten. De commissie heeft schriftelijk gevraagd wat werd bedoeld met de opmerking “onderbuikgevoel”.
Verder bleek uit het verslag van de consulent dat bij alle drie bezoeken ook naasten aanwezig waren en stond niet beschreven of de consulent de patiënte ook alleen had gesproken. De commissie heeft schriftelijk aan de arts gevraagd om te verhelderen hoe zij reflecteerde op de aanwezigheid van de naasten bij de bezoeken van de consulent.
Verder schreef de consulent dat de patiënte volgens hem een “sombere, vlakke indruk” maakte. De commissie heeft schriftelijk de vraag gesteld of de arts heeft overwogen of de patiënte mogelijk depressief was.
De schriftelijke antwoorden van de arts op bovengenoemde vragen worden hierna, bij de feiten in deze melding, besproken.
De feiten in deze melding
Externe vrijwilligheid
De arts schreef in het modelverslag dat de patiënte volledig haar eigen keuze maakte voor euthanasie en niet onder druk van haar naasten stond. De arts sprak de patiënte meermaals onder vier ogen. Haar naasten waren sterk betrokken bij de patiënte, maar dat was volgens de arts vanuit betrokkenheid en zorg om haar.
Desgevraagd heeft de arts over de opmerking “onderbuikgevoel” in het huisartsenjournaal schriftelijk toegelicht dat deze aantekening was gemaakt door een assistente die de naaste dwingend vond overkomen in het stellen van vragen. De arts lichtte toe dat de opmerking volgens de assistente zag op de toon van de naaste en niet zozeer te maken had met de inhoud van het euthanasieverzoek van de patiënte. De arts heeft verder toegelicht dat zij in haar eigen contacten met de naasten van de patiënte geen dwingende houding bij de naasten heeft ervaren.
De arts heeft schriftelijk toegelicht dat de consulent bij elk bezoek de patiënte ook steeds onder vier ogen heeft gesproken. Het is de commissie uit de stukken gebleken dat door de consulent geen tekenen van druk door de naasten zijn waargenomen.
Interne vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek
Het is voor de commissie vast komen te staan dat de arts overtuigd was van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek van de patiënte. De patiënte uitte haar wens op een heldere manier en herhaalde deze regelmatig. Zij had goed nagedacht over haar euthanasieverzoek en begreep de gevolgen hiervan. Al jaren eerder, tijdens bezoeken van de arts aan een familielid met hetzelfde ziektebeeld, gaf zij bij herhaling aan dat zij in die omstandigheden euthanasie zou willen.
De arts lichtte schriftelijk toe zich niet te herkennen in de opmerking van de consulent over de “sombere, vlakke indruk” van de patiënte. De patiënte maakte op haar gedurende het traject juist een veerkrachtige en optimistische indruk. Hoewel zij uiteraard verdriet kende en zich bewust was van haar naderende levenseinde, was de patiënte volgens de arts niet emotioneel afgevlakt of somber op een manier die afweek van wat gezien de omstandigheden van haar verwacht mocht worden.
De commissie constateert dat ook de consulent overtuigd was van de wilsbekwaamheid van de patiënte ten aanzien van het euthanasieverzoek. Na de eerste twee gesprekken had de consulent twijfels over de wilsbekwaamheid. Volgens hem kon de patiënte niet uitleggen hoe het vervolg van de euthanasieprocedure eruit zou zien en kon zij de gevolgen van haar verzoek niet goed overzien. In het derde gesprek achtte de consulent de patiënte wel wilsbekwaam ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Hij constateerde toen dat de patiënte de consequenties van haar verzoek begreep. Zo was ze bezig met het regelen van persoonlijke zaken en haar afscheid. De commissie stelt vast dat de consulent concludeerde dat de patiënte een vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek deed.
Het oordeel van de commissie
De commissie is van oordeel dat met de hierboven beschreven handelwijze de arts goed heeft gereflecteerd op haar handelen. De commissie concludeert dat de arts ervan overtuigd kon zijn dat er sprake was van externe vrijwilligheid inzake de euthanasiewens van de patiënte. De arts bemerkte tijdens het gehele euthanasietraject geen enkele onaanvaardbare invloed van de naasten op het euthanasieverzoek van de patiënt. Ook de consulent heeft geen tekenen van druk waargenomen.
Voor de commissie is vast te komen staan dat de patiënte in staat kon worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake. Zowel de arts als de consulent achtten de patiënte wilsbekwaam. De arts heeft in de schriftelijke toelichting inzichtelijk gemotiveerd dat volgens haar geen sprake was van een depressie en de commissie kan de arts hierin volgen. Daarbij weegt de commissie mee dat de consulent weliswaar sprak van een sombere, vlakke indruk maar niet constateerde dat sprake was van een depressie in engere zin. Ook is het de commissie gebleken dat de patiënte langere tijd over haar euthanasieverzoek heeft nagedacht. Zij heeft dit verzoek niet in een opwelling gedaan, maar heeft haar wens uitgebreid doordacht.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts op zorgvuldige wijze heeft nagegaan of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts heeft op inzichtelijke wijze de externe vrijwilligheid onderzocht en onderbouwd. Ook heeft zij duidelijk gemotiveerd waarom zij de patiënte wilsbekwaam achtte en dat geen sprake was van een depressie. De commissie oordeelt dat de arts overtuigd kon zijn van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek van de patiënte. De arts werd in deze overtuiging gesteund door de consulent.
De commissie is gezien het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts kon met de patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.