De lijkschouwer had de commissie ervan op de hoogte gesteld dat de patiënt ten tijde van de uitvoering van de euthanasie in een toestand van verlaagd bewustzijn verkeerde en door de arts niet meer wekbaar was. De commissie heeft uitgebreid stilgestaan bij de eis dat er sprake is van ondraaglijk lijden van de patiënt. Voorafgaand aan de euthanasie kreeg de patiënt morfine en Midazolam toegediend. Vervolgens raakte de patiënt buiten bewustzijn. De arts kon niet uitsluiten dat er sprake was van een, door medicatie ontstaan, reversibel situatie van verlaagd bewustzijn. Naar zijn oordeel was het het meest waarschijnlijk dat er sprake was van een irreversibele verlaging van het bewustzijn, terwijl er tekenen van lijden waren. De commissie concludeert dat de arts tot de overtuiging kon komen dat de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk leed.
NB: De patiënt kreeg gelijktijdig met zijn echtgenote euthanasie (duo-euthanasie). De echtgenote verzocht op basis van een combinatie van aandoeningen om euthanasie. Deze melding werd met een verkort oordeel afgedaan.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, werd circa drie jaar voor het overlijden slokdarmkanker geconstateerd. Ondanks behandeling zaaide de ziekte uit. Genezing was niet meer mogelijk. Enige maanden voor het overlijden kreeg de patiënt pijn en vermagerde hij sterk, ook raakte hij steeds meer uitgeput.
De vrouw van de patiënt was ook ernstig ziek en ongeneeslijk ziek en het echtpaar had een wens samen door middel van euthanasie te mogen sterven. Aanvankelijk was daarbij gepland dat de arts euthanasie aan de vrouw zou verlenen en de huisarts van de patiënt dat aan de patiënt zou doen.
Kort voor de geplande datum werd echter de huisarts van de patiënt ziek, waarop de arts het op zich nam zowel de euthanasie aan de man, de patiënt, als aan diens vrouw te verlenen.
De consulent bezocht de patiënt drie dagen voor het overlijden. De echtgenote van de patiënt werd door een andere consulent bezocht.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze melding heeft de commissie uitgebreider stil gestaan bij de eis dat er sprake is van ondraaglijk lijden door de patiënt. Reden was dat de lijkschouwer de commissie in een uitgebreid schrijven er van op de hoogte stelde dat patiënt ten tijde van de uitvoering van de euthanasie in een toestand van verlaagd bewustzijn verkeerde en door de arts niet meer wekbaar was. Zij twijfelde daardoor of de patiënt nog wel in staat was om lijden te ervaren op het moment van de uitvoering van de euthanasie.
De arts heeft, in een schrijven op het modelverslag, (voor zover relevant voor de beoordeling van de melding) aangegeven dat de patiënt voorafgaand aan de euthanasie morfine en Midazolam kreeg toegediend. Ongeveer 14 uur voor het overlijden raakte de patiënt buiten bewustzijn, maar hij had daarbij, aldus de arts, een onprettig aandoende stotende ademhaling. De arts kon niet goed bepalen of hij dat moest duiden als ondraaglijk lijden.
De commissie heeft, onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen op pagina 32 van de EuthanasieCode 2026 aan de arts voorgelegd de vraag voorgelegd welke van de drie hiernavolgende situatie zich voordeed bij de patiënt:
Situatie a. irreversibel coma (door ziekte ontstaan, niet op te heffen).
De patiënt kan in de laatste fase van zijn ziekteproces spontaan in een coma raken. Omdat hij in die situatie geen lijden meer kan ervaren, kan de euthanasie, ook al heeft de arts zich daartoe eerder bereid verklaard, geen doorgang vinden.
Situatie b. irreversibele verlaging van het bewustzijn (door ziekte ontstaan, niet op te heffen).
1. Er zijn wel tekenen van lijden. De patiënt kan spontaan in een niet op te heffen situatie van verlaagd bewustzijn geraken, terwijl er nog wel tekenen van lijden zijn. In het bijzonder kreunen, benauwdheid met of zonder abnormale ademhaling, en grimassen op het gezicht. Bijkomende symptomen kunnen onrust, verwardheid en (fecaal) braken zijn. In deze situatie kan de arts de euthanasie wel uitvoeren.
2. Er zijn geen tekenen van lijden. Euthanasie is niet mogelijk.
Situatie c. reversibel coma of reversibele verlaging van het bewustzijn (door medicatie ontstaan, door staken van medicatie op te heffen).
Is het coma of de toestand van verlaagd bewustzijn niet spontaan ontstaan, maar door medicatie veroorzaakt, en vertoont de patiënt geen tekenen van lijden, maar is het aannemelijk dat door het terughalen van het bewustzijn lijden ontstaat, dan zou, om te kunnen controleren of de patiënt inderdaad nog lijden ervaart, het coma of de verlaging van het bewustzijn kunnen worden opgeheven. Dat is naar de mening van de commissies inhumaan. In deze situatie kan de arts de euthanasie uitvoeren als de patiënt eerder, mondeling of in een schriftelijke wilsverklaring, om euthanasie heeft verzocht. Een reversibel coma en een reversibele toestand van verlaagd bewustzijn (ook zonder tekenen van lijden) behoeven dus niet te worden opgeheven met het enkele doel om de patiënt de ondraaglijkheid van het lijden tegenover de arts en/of de consultent te laten bevestigen.
De arts heeft schriftelijk geantwoord. Hij heeft (voor zover relevant voor de beoordeling) aangegeven dat naar zijn oordeel meest waarschijnlijk was dat de patiënt verkeerde in de situatie onder b. De patiënt had een sterk verlaagd bewustzijn, maar vertoonde toch ook nog tekenen van lijden in zijn optiek. Er was sprake van een hortende en stotende ademhaling, zoals hierboven onder b beschreven, de patiënt zweette heftig en was niet “in vrede wegslapend.” De arts heeft daarbij aangegeven dat hij ook niet kon uitsluiten dat er sprake was van een, door medicatie ontstaan, reversibel situatie van verlaagd bewustzijn. Hoewel de dosering van opiaten beperkt was, was niet onmogelijk, zo begrijpt de commissie de uitleg van de arts, dat het verlaagde bewustzijn werd veroorzaakt door de Midazolam die patiënt eerder had gekregen en dus een situatie zoals hierboven opgenomen onder c.
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De commissie is van oordeel dat de arts deze overtuiging kon krijgen. Naar het oordeel van de arts was er sprake van waarneembaar lijden bij de patiënt. Maar zelfs als dat niet het geval was geweest, mocht de arts, naar het oordeel van de commissie, overgaan tot uitvoering van de euthanasie, nu de arts niet kon uitsluiten dat sprake was van een situatie als hierboven opgenomen onder c. Ook dan is euthanasie immers mogelijk, als er al een voornemen van uitvoering is en de consulent de patiënt reeds heeft bezocht, zoals in deze melding het geval was. Dat zich de patiënt in situatie c geen lijden ervaart, staat aan de uitvoering niet in de weg. Het zou inhumaan zijn om te wachten tot de Midazolam zou zijn uitgewerkt en patiënt bij kennis zou komen om zijn lijden te bevestigen.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.