De patiënt leed aan de ziekte van Alzheimer en was bang om wilsonbekwaam te worden. De arts was van plan om euthanasie uit te voeren en vroeg een SCEN-arts om de patiënt te beoordelen. De SCEN-arts dacht dat bij de patiënt misschien sprake was van een psychische aandoening en adviseerde de arts om dit te onderzoeken. De arts volgde dit advies op en raadpleegde hiervoor een onafhankelijk psychiater. De onafhankelijk psychiater kwam tot de conclusie dat de patiënt geen psychische aandoening had. De commissie oordeelt dat de arts goed heeft gereflecteerd op haar handelen en met grote behoedzaamheid te werk is gegaan.
NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, werd zes jaar voor het overlijden de dementie vastgesteld. Drie jaar later werd duidelijk dat sprake was van een mengbeeld van vasculaire dementie en de ziekte van Alzheimer.
Door de cognitieve achteruitgang van de patiënt verloor hij steeds meer zelfstandigheid. Zo werd hij toenemend vergeetachtig: hij kon namen en telefoonnummers niet meer onthouden en raakte verdwaald op weg naar de supermarkt. Omdat hij noodzakelijke stappen vergat, kon hij geen voertuig meer besturen. Ook in huis functioneerde hij steeds slechter: zo liet hij het fornuis aanstaan en wist hij niet meer hoe hij het eten over de borden moest verdelen. De patiënt zag zichzelf in toenemende mate meer vergeetachtig worden en voelde zich hierdoor machteloos. Hij was bang voor de progressie van zijn ziekte en om wilsonbekwaam te worden. De reële angst dat hij alleen nog maar verder zou verslechteren maakte hem angstig, gefrustreerd en boos. Hij was in zijn omgeving bekend met het eindstadium van zijn ziekte. Dit boezemde hem schrik in voor een scenario dat hij absoluut niet wilde meemaken.
De patiënt sprak met zijn huisarts over euthanasie. De huisarts was echter niet bereid om euthanasie uit te voeren bij patiënten met dementie. De patiënt wendde zich daarop tot EE. In het eerste gesprek met de arts, ruim tien maanden voor het overlijden, spraken de arts en de patiënt in algemene zin met elkaar over euthanasie. In het tweede gesprek, drie maanden later, gaf de patiënt aan rond zijn volgende verjaardag te willen overlijden. Dit verzoek herhaalde hij in de daaropvolgende drie gesprekken.
De arts raadpleegde als eerste consulent een onafhankelijk SCEN-arts. Zij bezocht de patiënt bijna vijf weken voor het overlijden. De eerste consulent concludeerde dat niet aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan, omdat er volgens haar sprake was van angst.
Hierop besloot de arts een onafhankelijk psychiater te raadplegen en hem te vragen of de patiënt wilsbekwaam was, of er sprake was van een psychiatrische diagnose en of er nog redelijke behandelmogelijkheden waren. De onafhankelijk psychiater onderzocht de patiënt drie weken voor het overlijden.
Vervolgens raadpleegde de arts als tweede consulent een onafhankelijk SCEN-arts. Deze tweede consulent bezocht de patiënt bijna twee weken voor het overlijden.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze melding was de eerste consulent van mening dat sprake was van angst. De commissie zal daarom uitgebreid stilstaan bij het bestaan van een mogelijke psychische aandoening en de invloed daarvan op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2, eerste lid, onder a, Wtl) en de uitzichtloosheid van het lijden (artikel 2, eerste lid, onder b, Wtl). Ook zal vanwege het ziektebeeld worden stilgestaan bij de ondraaglijkheid van het lijden (artikel 2, eerste lid, onder b, Wtl).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Juridisch kader
Bij patiënten met dementie is er aanleiding om met grote behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder aan de eisen inzake het vrijwillig en weloverwogen verzoek en het ondraaglijk lijden. Naarmate het ziekteproces bij patiënten met dementie voortschrijdt, neemt de wilsbekwaamheid van de patiënt af (EuthanasieCode 2026, pagina 30).
De commissie constateert dat de arts het lijden ten gevolge van de dementie omschrijft als het ondraaglijk lijden van de patiënt. Tegelijkertijd was de eerste consulent van mening dat mogelijk sprake was van een psychische aandoening, namelijk angst. Als het lijden wordt veroorzaakt door een somatische aandoening en de patiënt daarnaast een psychische aandoening heeft of in de recente voorgeschiedenis heeft gehad, zullen de arts en de consulent moeten overwegen of de psychische aandoening van invloed is op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek. In deze gevallen kan het nodig zijn om een onafhankelijk psychiater of een SCEN-psychiater om advies te vragen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (EuthanasieCode, pagina 29).
De feiten in deze melding
Om te beginnen stelt de commissie vast dat de arts overtuigd was van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek van de patiënt. De patiënt uitte zijn wens op een heldere manier en herhaalde deze ook. Hij had goed nagedacht over zijn euthanasieverzoek en was stellig in zijn wens om te overlijden. De patiënt gaf daarbij aan ‘liever twee jaar te vroeg dan een week te laat’ te zijn met zijn verzoek. De arts concludeerde aan de hand van de criteria van Appelbaum en Grisso dat de patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasiewens en zag geen aanwijzing voor een psychische aandoening.
Vervolgens constateert de commissie dat de eerste consulent ook van mening was dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Zij achtte de patiënt volledig wilsbekwaam. De eerste consulent constateerde dat bij de patiënt sprake was van angst om wilsonbekwaam te worden, maar dat de kans daarop volgens de behandelend neuroloog de komende jaren niet zo groot was. Zij concludeerde dan ook dat gekeken zou moeten worden of de angst behandeld kon worden.
De arts reflecteerde op de conclusie van de eerste consulent en besloot te onderzoeken of sprake was van een psychische aandoening, zoals angst, die van invloed zou kunnen zijn op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek. Hij raadpleegde daartoe een onafhankelijk psychiater, die hij vroeg een uitspraak te doen over de wilsbekwaamheid van de patiënt en of bij hem sprake was van een psychische aandoening.
De commissie stelt vast dat de onafhankelijk psychiater bij de patiënt geen psychische aandoening had vastgesteld. In het bijzonder was volgens de onafhankelijk psychiater geen sprake van een depressie of angststoornis. De angst die de patiënt voelde om wilsonbekwaam te worden, hoorde volgens de onafhankelijk psychiater bij de progressie van een dementieel syndroom. Deze angst vond hij reëel en invoelbaar. De onafhankelijk psychiater kwam dan ook tot de conclusie dat de patiënt niet leed aan een psychische aandoening en wilsbekwaam was. De patiënt kon zijn wens toelichten, was daar consistent in en begreep de gevolgen van euthanasie.
Tot slot constateert de commissie dat ook de tweede consulent overtuigd was van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek. Er waren geen tekenen van een psychische aandoening of andere factoren die zijn wil zouden kunnen beïnvloeden. De patiënt was georiënteerd in tijd en plaats en herhaalde zijn verzoek consistent. De tweede consulent achtte hem dan ook wilsbekwaam.
Het oordeel van de commissie
Met de hierboven beschreven handelwijze heeft de arts naar het oordeel van de commissie grote behoedzaamheid betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van de patiënt. De arts heeft zich rekenschap gegeven van de cognitieve achteruitgang van de patiënt en overwoog nadrukkelijk dat de patiënt ondanks zijn dementie ter zake wilsbekwaam was. Hij werd hierin bevestigd door alle bij de melding betrokken artsen. Verder overweegt de commissie dat de arts met de hierboven omschreven handelwijze heeft gereflecteerd op het advies van de eerste consulent door een onafhankelijk psychiater te raadplegen. Zowel de onafhankelijk psychiater als de tweede consulent bevestigden de arts in zijn overtuiging dat geen sprake was van een psychische aandoening en het euthanasieverzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen was.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt.
Vooropgesteld constateert de commissie dat dementie een ziekte is waarvan een patiënt niet kan genezen. Daarnaast is door een onafhankelijk psychiater vastgesteld dat bij de patiënt geen sprake was van een psychische aandoening die nog behandeld zou kunnen worden. De uitzichtloosheid van het lijden hoeft daarom niet besproken te worden.
In veruit de meeste gevallen die tot nu toe aan de commissies zijn gemeld, ging het om patiënten die nog voldoende inzicht in hun ziekte hadden en die nog wilsbekwaam waren ten aanzien van hun euthanasieverzoek. Het lijden van deze patiënten wordt, naast een actuele achteruitgang in cognitieve vermogens en functioneren, veelal medebepaald door de angst voor verdere achteruitgang en de daarmee verbonden negatieve gevolgen voor (in het bijzonder) de autonomie en de waardigheid van de patiënt. Het gaat om de beleving van het steeds verder voortschrijdende verlies van persoonlijkheid, functies en vaardigheden en het besef dat dit proces alleen maar door zal gaan. Dit vooruitzicht kan groot, actueel lijden doen ontstaan (EuthanasieCode 2026, pagina 30).
De commissie stelt vast dat de arts overtuigd was dat de patiënt ondraaglijk leed. De arts zag tijdens alle vijf de gesprekken een patiënt met een duidelijke lijdensdruk. De patiënt werkte meerdere dagen per week als vrijwilliger in een verpleeghuis voor dementerende ouderen en gaf duidelijk aan dat hij niet in die positie wilde eindigen. De arts kon dit, met het oog op de persoonlijkheid en levensgeschiedenis van de patiënt, ook begrijpen.
Ook de beide consulenten zagen dat de patiënt ondraaglijk leed. De grote angst om wilsonbekwaam te worden en voor de progressie van zijn ziekte, tekenden het leven van de patiënt. De onafhankelijk psychiater was niet gevraagd om een uitspraak te doen over de ondraaglijkheid van het lijden en had dit ook niet gedaan.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van hem werd verwacht. De arts heeft namelijk op zorgvuldige wijze de ondraaglijkheid van het lijden onderzocht en onderbouwd. Ook heeft hij duidelijk gemotiveerd waarom hij de angst van de patiënt om wilsonbekwaam te worden invoelbaar vond. De commissie betrekt hierbij in haar oordeel dat beide consulenten de arts bevestigden in zijn overtuiging.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat het lijden van de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk was.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.