In deze melding had een patiënte zowel somatische aandoeningen als een depressie. Het was voor de commissie niet duidelijk of het euthanasieverzoek alleen kwam vanuit de somatische aandoeningen, of dat de depressie hierbij ook een rol speelde. De commissie vroeg zich dit af, omdat een arts een onafhankelijk psychiater moet inschakelen als een depressie mede een reden is voor een euthanasieverzoek. De arts had dat niet gedaan. De commissie heeft de arts daarom gevraagd om schriftelijk uit te leggen hoe dit zat. De arts heeft dit uitgebreid toegelicht. Door deze aanvullende informatie van de arts is de commissie tot het oordeel gekomen dat de patiënte om euthanasie vroeg vanwege haar somatische aandoeningen. Het raadplegen van een onafhankelijk psychiater was daarom niet nodig.
 

Introductie van het praktijkvoorbeeld

De patiënte was een vrouw van tussen de 90 en 100 jaar. In het modelverslag dat de commissie van de arts ontving, had hij opgenomen dat zowel een depressie als bijkomende lichamelijke aandoeningen ten grondslag lagen aan het euthanasieverzoek van de patiënte. De lichamelijke aandoeningen waren een bekkenfractuur, achteruitgang in lichamelijke conditie en zelfredzaamheid als gevolg van een val. Ook was bij de patiënte sprake van malaise, duizeligheid, diarree en doorligwonden op de stuit. De patiënte had verschillende behandelingen ondergaan, zowel voor haar psychische als lichamelijke aandoeningen. Geen van de behandelingen gaf een blijvend resultaat.

Het lijden van de patiënte bestond uit verminderde mobiliteit en toenemende afhankelijkheid van anderen, ontstaan na een val waarbij zij een bekkenfractuur opliep. De dagen bracht zij grotendeels door in een stoel omdat staan bijna niet meer ging. Ze had veel gewicht verloren en was daardoor mager en zeer kwetsbaar. Activiteiten waaraan ze vroeger plezier beleefde, kon zij niet meer uitvoeren. Ze wist dat er geen verbetering van haar situatie mogelijk was en dat enkel verslechtering in het verschiet lag. Sinds enkele maanden voor haar overlijden woonde de patiënte in een verpleeghuis, waar het haar niet lukte om te wennen. Ze was altijd zeer zelfstandig geweest en wilde ook de regie over haar levenseinde in eigen hand houden. Verder leed de patiënte sinds vijf jaar voor het overlijden aan zeer sombere gevoelens die waren ontstaan vanwege traumatische gebeurtenissen in de familie. Ze piekerde veel, en had schuldgevoelens en negatieve gedachtes over zichzelf. Ze kon nergens meer van genieten en zag geen perspectief meer.

Ongeveer zes weken voor het overlijden sprake de patiënte voor het eerst met de arts over euthanasie. Zij herhaalde haar verzoek regelmatig tegenover de arts.

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënte tweeënhalve week voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, december 2025.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.