In deze melding leed de patiënt aan stemmingsproblematiek als gevolg van schade door een bloedig CVA. De arts heeft de commissie navolgbaar kunnen uitleggen dat de patiënt wilsbekwaam ter zake was en dat zijn stemmingsproblematiek als gevolg van schade door het CVA niet van invloed is geweest op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek. De commissie heeft het besluit van de arts dan ook kunnen volgen om in de gegeven situatie geen onafhankelijk psychiater in te schakelen.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Een patiënt, een man van tussen de 80 en 90 jaar, werd negen jaar voor zijn overlijden getroffen door een bloedig CVA. Dit bleek een duidelijk omslagpunt in zijn leven. Ten gevolge van het CVA kreeg de patiënt epileptische aanvallen, werd hij somberder en had hij een pessimistisch toekomstbeeld. De stemmingsproblematiek en gevolgen van het niet aangeboren hersenletsel werden erger nadat twee naasten van de patiënt kort na elkaar overleden. Hoewel de patiënt het moeilijk had kon hij met zijn gevoelens omgaan, omdat bewegen zijn uitlaatklep werd. Daarmee kon hij zijn zinnen verzetten. Door de jaren heen bleef hij zoveel mogelijk actief en probeerde hij te ‘leven’ op zijn manier.
Ongeveer een jaar voor het overlijden kreeg de patiënt de diagnose beginnende dementie en werd zijn euthanasiewens groter. De patiënt wilde alles proberen om zijn levensvreugde terug te krijgen en werd daarvoor behandeld door een psychiater. Hij pakte elke reële behandeling aan maar deze bleven allen zonder het gewenste resultaat. De patiënt met een blanco psychiatrische voorgeschiedenis, die altijd als actieve en ondernemende man zijn leven had geleid, ervoer geen kwaliteit van leven meer. Door de gevolgen van het CVA en door de toenemende cognitieve stoornissen als gevolg van de dementie verloor hij steeds meer de grip op zijn dagelijks leven en leed hij aan het gebrek aan perspectief. Het reële perspectief dat zijn situatie niet zou verbeteren vond de patiënt verschrikkelijk. Hij wilde verdere verslechtering niet meer meemaken.
De patiënt besprak zijn euthanasiewens voor het eerst zeven jaar voor zijn overlijden met de arts. De arts voerde hierover door de jaren heen meerdere gesprekken met de patiënt. Ongeveer twee maanden voor zijn overlijden gaf patiënt aan dat hij zo niet verder wilde leven en verzocht hij de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Dit verzoek herhaalde hij in de daaropvolgende gesprekken.
De arts consulteerde een onafhankelijk SCEN-arts. Zij bezocht de patiënt ongeveer anderhalve week voor het overlijden.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze melding was sprake van een patiënt met beginnende dementie die tevens chronische stemmingsklachten had ten gevolge van een CVA. Gelet hierop zal de commissie nader overwegen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2 eerste lid, onder a, Wtl).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De commissie stelt vast dat de patiënt leed aan de gevolgen van een CVA met stemmingsproblematiek ten gevolge van de schade hierdoor en aan beginnende vasculaire dementie.
De patiënt moet wilsbekwaam zijn ten aanzien van zijn euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Dat betekent dat de patiënt voldoet aan vier kenmerken. Hij is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over zijn euthanasieverzoek. Hij kan de relevante (medische) informatie over zijn situatie en prognose begrijpen. Hij heeft ziekte-inzicht: dat wil in dit verband zeggen dat de patiënt overzicht heeft over zijn situatie en de gevolgen van euthanasie en over eventuele alternatieven. Tot slot is hij in staat duidelijk te maken waarom hij euthanasie wil. (EuthanasieCode 2026, pagina 12).
Psychiatrische problematiek kan bijdragen aan de door de patiënt ervaren lijdensdruk. In deze gevallen zullen de arts en de consulent nadrukkelijk moeten overwegen of de psychische stoornissen van de patiënte de vrijwilligheid of de weloverwogenheid van haar verzoek mogelijk in de weg staan. Als de consulent geen psychiater is, kan het ook in een dergelijk geval nodig zijn een psychiater om advies te vragen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (EuthanasieCode 2026, pagina 29).
In deze melding was de arts ervan overtuigd dat het verzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen was. De commissie is van oordeel dat de arts tot deze overtuiging kon komen. Hieronder legt de commissie uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het is de commissie uit het dossier en de mondelinge toelichting gebleken dat de arts nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de wilsbekwaamheid van de patiënt. De patiënt was gediagnostiseerd met beginnende dementie. De arts stelde vast dat de patiënt een zeer helder bewustzijn had met daarnaast ziektebesef en ziekte-inzicht. Daarnaast kon hij duidelijk zijn keuze kenbaar maken en zijn overwegingen dienaangaande goed onderbouwen. Eveneens begreep de patiënt de verstrekte informatie en kon hij de gevolgen van zijn euthanasieverzoek overzien. De arts achtte de patiënt dan ook wilsbekwaam ter zake. Deze overtuiging was tevens gebaseerd op de vele gesprekken die de arts gedurende zeer langere tijd met de patiënt had gevoerd. De arts nam vervolgens nog contact op met een behandelend arts van de patiënt die hem in deze overtuiging steunde.
Uit het dossier en de mondelinge toelichting is het de commissie tevens gebleken dat de arts nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de stemmingingsproblematiek van de patiënt. Dat deze stemmingsproblematiek als uiting van het hersenletsel als gevolg van een CVA is ontstaan en dat dit de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek niet in de weg heeft gestaan. De arts was van mening dat er geen sprake was van een depressie in engere zin, een angststoornis of een psychose. Hij werd in zijn overtuiging gesteund door de behandelend psychiater.
Voorts stelt de commissie vast dat de arts een consulent raadpleegde. Zij concludeerde dat de patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek en dat de stemmingsproblematiek niet aan de vrijwilligheid en weloverwogenheid in de weg stond. Volgens de consulent was het euthanasieverzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen. De consulent concludeerde dat de patiënt duidelijk wist wat hij van de arts vroeg, hij dit goed kon onderbouwen, hij het verzoek vrijwillig deed zonder druk van anderen en dat hij zijn euthanasiewens consistent uitte.
De commissie is van oordeel dat met de hierboven beschreven handelwijze de arts goed heeft gereflecteerd op zijn handelen. De commissie betrekt in haar oordeel dat de arts nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de wilsbekwaamheid van de patiënt en zijn stemmingsproblematiek door hersenletsel door het CVA. De commissie betrekt in haar oordeel tevens dat alle bij de casus betrokken artsen de patiënt volledig wilsbekwaam achtten. Het is voor de commissie duidelijk geworden dat de patiënt wilsbekwaam ter zake was en zijn stemmingsproblematiek als gevolg van schade door het CVA niet van invloed is geweest op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van zijn verzoek. De commissie kan het besluit van de arts dan ook volgen om in de gegeven situatie geen onafhankelijk psychiater in te schakelen.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.