Bij de patiënte was sprake van een aanhoudende depressie. Een arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde concludeerde dat de patiënte niet wilsbekwaam was. De arts gaat daar, na consult van een onafhankelijk psychiater, gemotiveerd aan voorbij en werd daarin ook gesteund door de SCEN-arts. Naar het oordeel van de commissie heeft de arts grote behoedzaamheid betracht bij het vaststellen van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.
NB: De patiënte kreeg gelijktijdig met haar echtgenoot euthanasie (duo-euthanasie). De echtgenoot verzocht op basis van een stapeling van ouderdomsaandoeningen om euthanasie. Deze melding werd met een verkort oordeel afgedaan.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënte, een vrouw tussen de 80 en 90 jaar oud, was sinds vijf jaar voor het overlijden sprake van een chronische depressie. Sinds tweeëneenhalf jaar voor het overlijden was er bij de patiënte sprake van een derde aanhoudende depressieve periode.
De patiënte leed aan intense moeheid. Ze had geen energie meer om de dag door te komen en sliep veel overdag. Daarbovenop was er sprake van immobiliteit en urine-incontinentie. Het lukte de patiënte niet meer om voor zichzelf en voor haar echtgenoot te zorgen. De patiënte had haar hele leven voor haar naasten gezorgd. Vroeger voor haar ouders en zusje, in haar werk in de thuiszorg, en de afgelopen jaren voor haar man. Het verzorgen van anderen had de patiënte altijd voldoening gegeven en dat lukte al geruime tijd niet meer. Het gaf de patiënte veel verdriet dat resulteerde in piekeren en onrust.
De patiënte had tijdens de depressieve periodes de voorgestelde behandelingen doorlopen in de hoop beter te worden zodat ze haar echtgenoot weer kon verzorgen. Ze was ook korte tijd opgenomen in een psychiatrische instelling. Na een week opname was de patiënte weer naar huis gegaan vanwege heimwee naar haar echtgenoot. Ondanks de verschillende vormen van intensieve psychiatrische therapieën en medicatie bleven de klachten en de euthanasiewens aanwezig.
De huisarts van de patiënte vond de casuïstiek te complex om zelf de euthanasie uit te voeren. De patiënte wendde zich met haar euthanasiewens tot het Expertisecentrum Euthanasie (EE). De arts bezocht de patiënte vier keer. Tijdens het eerste gesprek, tweeënhalve maand voor het overlijden, verzocht de patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. De patiënte heeft haar euthanasieverzoek nadien tijdens ieder volgend gesprek en vlak voor de uitvoering van de levensbeëindiging herhaald.
De patiënte wilde graag samen met haar echtgenoot, die ook een euthanasiewens had, overlijden. Het euthanasietraject van de echtgenoot werd begeleid door een andere arts van het EE.
Ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de patiënte en het bestaan van redelijke behandelmogelijkheden, raadpleegde de arts een onafhankelijk psychiater. Deze onderzocht de patiënte twee maanden voor het overlijden.
De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de patiënte zes weken voor het overlijden. Dit betrof een andere consulent dan die werd geraadpleegd in het euthanasietraject van de echtgenoot.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
Gelet op de datum van de verleende euthanasie, hanteert de commissie voor het toetsingskader de EuthanasieCode 2022.
In deze melding kwam het euthanasieverzoek voort uit lijden als gevolg van een psychische stoornis. De arts moet dan met grote behoedzaamheid omgaan met het euthanasieverzoek. Deze behoedzaamheid betreft vooral de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van het euthanasieverzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.
Het uitgangspunt van de RTE is dat de arts bij deze patiënten altijd psychiatrische expertise moet inroepen. Doel van het inroepen van psychiatrische expertise is dat de arts zich goed laat voorlichten en kritisch reflecteert op de eigen overtuiging. De onafhankelijk psychiater mag zo nodig behandeladviezen geven. De arts kan zelf beslissen of hij een onafhankelijk psychiater naast een (SCEN-)consulent raadpleegt, óf een (SCEN-)consulent die tevens psychiater is (zie EuthanasieCode 2022, pagina 46-47).
Bovendien verzocht de patiënte tegelijkertijd met haar echtgenoot om euthanasie. In dergelijke meldingen (ook wel duo-euthanasie genoemd) wordt door de commissie expliciet onderzocht of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (artikel 2, eerste lid onder a, Wtl) en of er voor beide partners een andere onafhankelijke arts is geraadpleegd (artikel 2, eerste lid onder e, Wtl).
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Indien het euthanasieverzoek (in overwegende mate) voortkomt uit lijden dat het gevolg is van een psychische stoornis wordt van de arts grote behoedzaamheid verwacht. Veelal gaat het in dergelijke zaken om complexe problematiek en is de inbreng van specifieke deskundigheid vereist. De genoemde behoedzaamheid betreft vooral de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van zijn euthanasieverzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.
Bij de beoordeling van het verzoek gaat het erom dat de arts uitsluit dat het oordeelsvermogen van de patiënt door de psychische stoornis is aangetast. Is het oordeelsvermogen van de patiënt wat betreft het verzoek onvoldoende, dan is er geen sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts moet erop letten dat de patiënt relevante informatie kan bevatten, ziekte-inzicht heeft en ondubbelzinnig is in zijn overwegingen (zie EuthanasieCode 2022, pagina 46-47).
In het geval partners gelijktijdig een verzoek tot uitvoering van euthanasie doen en indien op beide verzoeken wordt ingegaan, moet vaststaan dat het verzoek van de ene partner niet oneigenlijk is beïnvloed of is ingegeven door dat van de andere partner. Daarom moet komen vast te staan dat elk van beide verzoeken vrijwillig en weloverwogen is gedaan.
De commissie oordeelt in deze melding dat de arts tot de overtuiging kon komen dat het verzoek van patiënte vrijwillig en weloverwogen was. Hieronder legt de commissie uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De commissie stelt vast dat de arts in het dossier heeft toegelicht waarom hij ervan overtuigd was dat het verzoek van de patiënte vrijwillig en weloverwogen was. Tijdens de gesprekken tussen de arts en de patiënte bleek de patiënte goed in staat om haar euthanasiewens te verwoorden. Volgens de arts was de patiënte consistent en concreet en kon ze op haar euthanasieverzoek reflecteren. De patiënte kon de arts duidelijk maken waarom zij euthanasie wenste. De arts sprak ook met de patiënte zonder aanwezigheid van haar echtgenoot en zij bleef consistent in haar wens. Ook heeft de arts gesproken met de huisarts van de patiënte en de psychiater van de patiënte. De arts achtte de patiënte wilsbekwaam ten aanzien van haar euthanasieverzoek en was ervan overtuigd dat er geen sprake was van druk van buitenaf.
Ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de patiënte was ze vijf maanden voor haar overlijden onderzocht door een arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde, onder supervisie van een specialist oudergeneeskunde. De specialist concludeerde dat de patiënte niet wilsbekwaam was ter zake van haar euthanasieverzoek. In het verslag van de specialist is opgenomen dat de patiënte niet in staat was om informatie te reproduceren met betrekking tot het euthanasietraject en ze haar keuze hieromtrent niet weloverwogen kenbaar kon maken.
Een maand na dit onderzoek vond het kennismakingsgesprek plaats tussen de patiënte en een EE-dokter op verkenning. De EE-arts concludeerde dat de patiënte naar zijn mening wel een goed ziektebesef en ziekte inzicht had. Hij stelde vast dat de patiënte goed de gevolgen van haar euthanasieverzoek kon overzien en hierover kon redeneren en kwam tot de conclusie dat de patiënte wel wilsbekwaam was ter zake. Na afloop van dit kennismakingsgesprek heeft deze EE-arts contact opgenomen met de huisarts van de patiënte. De huisarts vertelde hem dat naar zijn mening de patiënte ook wilsbekwaam was ter zake.
Voorts constateert de commissie dat de arts een onafhankelijk psychiater raadpleegde die de patiënte ruim twee maanden voor het overlijden bezocht. De onafhankelijk psychiater had geen twijfels over de wilsbekwaamheid van de patiënte ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Hij beschreef dat de patiënte goed kon verwoorden waarom ze leed aan de situatie en hem vertelde dat ze bijna twee jaar uitgebreide behandelingen had gevolgd met minimaal resultaat. Volgens de onafhankelijk psychiater hadden de vele behandelingen niet geleid tot verbetering. Hij concludeerde dat er hypothetisch gezien nog behandelmogelijkheid door middel van medicatie mogelijk was. Gezien de reeds geprobeerde uitgebreide behandelingen achtte hij de kans op herstel van de klachten echter minimaal, mede gezien de complexiteit van de problematiek. De patiënte begreep dit volgens de onafhankelijk psychiater goed en gaf aan dat ze nieuwe behandelingen niet meer op kon brengen. Hij concludeerde dat de patiënte een weloverwogen en consistente euthanasiewens had.
De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts die de patiënte zes weken voor het overlijden bezocht. De consulent concludeerde dat de patiënte goed georiënteerd was in tijd, plaats en persoon. Volgens de consulent kon de patiënte goed beredeneren wat euthanasie was en wat de gevolgen hiervan waren. Hij kwam tot de conclusie dat de patiënte wilsbekwaam was ter zake en werd daarin gesteund door een collega scen-arts, tevens psychiater, met wie hij nog aanvullend overlegde over de situatie van patiënte.
De commissie is dan ook van oordeel dat de arts in redelijkheid tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte. De arts had de patiënte zelf meermaals gesproken en heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van de patiënte. De arts heeft naar het oordeel van de commissie voldoende gereflecteerd op de bevindingen van de arts in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde. De commissie betrekt tevens in haar oordeel dat zowel de behandelend psychiater, de huisarts, de onafhankelijk psychiater en de geraadpleegde consulent de patiënte wilsbekwaam achtten.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.
Indien een arts besluit of twee verschillende artsen besluiten om in te gaan op de euthanasieverzoeken van twee partners, verwacht de commissie dat de arts of artsen in zo’n geval voor ieder van de partners een andere consulent raadpleegt/raadplegen. Deze werkwijze waarborgt dat iedere casus afzonderlijk wordt beoordeeld. Beide consulenten moeten zich ervan vergewissen, dat er geen oneigenlijk druk bestaat van de ene partner op (het euthanasieverzoek van) de andere partner (EuthanasieCode 2022, pagina 33).
De commissie stelt vast dat bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van twee partners het verzoek van de patiënte is beoordeeld door een consulent die niet was betrokken bij het verzoek van haar partner. Het is de commissie uit het verslag van de consulent gebleken dat de patiënte haar verzoek vrijwillig heeft gedaan en dat zij op geen enkele wijze druk heeft ervaren, ook niet van haar partner.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts kon met de patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.