In deze melding had de arts, werkzaam voor het Expertisecentrum Euthanasie, één gesprek gehad met de patiënt, die zich in een zeer slechte toestand bevond, voordat de euthanasie werd uitgevoerd. De arts heeft de commissie navolgbaar uit kunnen leggen hoe hij in het relatief korte tijdsbestek toch de overtuiging had gekregen dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
De patiënt, een man tussen de 80 en 90 jaar, maakte drie jaar voor zijn overlijden een Cerebro Vasculair Accidents (CVA, een beroerte) door. Daarnaast was vier jaar voor zijn overlijden een essentiële tremor vastgesteld.
Er was bij de patiënt sprake van algehele achteruitgang van zijn conditie waardoor hij erg zwak was. De patiënt viel regelmatig vanwege forse vermindering van spierkracht en slechte motoriek. Door de tremors trilde de patiënt erg en sliep hij liever dan dat hij wakker was. De patiënt gaf aan doodmoe te zijn en het leven zinloos voor hem was geworden omdat hij niets meer kon en dit niet meer zou verbeteren. Daarbij had de patiënt terugkomende urineweginfecties en was er sprake van urine-incontinentie. De patiënt had tijdens een kortdurende opname in een zorginstelling, negen maanden voor zijn overlijden, een urinekatheter gekregen. De urinekatheter had de patiënt zelfstandig verwijderd en wilde hij nooit meer.
Drie weken voor het overlijden was de patiënt gestopt met eten en min of meer met drinken en was sindsdien bedlegerig. De patiënt kon ook niet meer zelfstandig uit bed komen en liet zijn urine lopen waardoor zijn dekens doorweekt waren. De patiënt was een zorg-mijder en wilde absoluut niet opgenomen worden in een verpleeghuis. De thuiszorg kwam twee keer per dag. Uitbreiding van de thuiszorg was nodig, maar dat weigerde de patiënt.
Een jaar voor het overlijden van de patiënt sprak de huisarts met de patiënt over zijn euthanasiewens. De huisarts wilde geen euthanasie uitvoeren om persoonlijke redenen en vertelde de patiënt over het EE. De patiënt meldde zich aan bij het EE vier maanden voor zijn overlijden. Vanwege de wachttijden sprak de patiënt een maand voor het overlijden eerst alleen met een verpleegkundige van het EE. De arts bezocht de patiënt vier dagen voor het overlijden.
De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënt drie dagen voor het overlijden.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
Gelet op de datum van de verleende euthanasie, hanteert de commissie voor het toetsingskader de EuthanasieCode 2022.
In deze melding was sprake van een kort euthanasietraject zonder een vooraf bestaande behandelrelatie. Om die reden heeft de commissie uitgebreid stilgestaan bij de vraag hoe de arts in dit korte tijdsbestek overtuigd is geraakt van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de uitzichtloosheid en de ondraaglijkheid van het lijden, en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.
Overwegingen
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De commissie oordeelt dat in deze melding de arts als niet-behandelend arts in een acute situatie heeft gehandeld. De commissie legt hieronder uit waar zij dit oordeel op baseert.
Het juridisch kader
Op grond van de Wtl is alleen een arts gerechtigd om uitvoering te geven aan een verzoek van een patiënt om euthanasie. De wet richt zich tot de arts die de euthanasie daadwerkelijk uitvoert. Doorgaans gaat het om de behandelend arts van de patiënt, maar dat is geen wettelijk vereiste. In alle gevallen geldt dat de uitvoerend arts zich gedegen moet hebben geïnformeerd over de situatie van de patiënt en dat hij persoonlijk moet hebben vastgesteld dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Een behandelend arts die de patiënt al lang(ere tijd) kent, zal zich mede op die kennis kunnen baseren (EuthanasieCode 2022, pagina 20).
Over een niet-behandelend arts in acute situaties staat in de EuthanasieCode 2022 het volgende opgenomen op pagina 20; ‘Door omstandigheden kan het gebeuren dat een andere arts dan de behandelend arts de euthanasie op het laatste moment uitvoert (bijvoorbeeld een waarnemer of een collega in het geval dat de arts niet beschikbaar is en de situatie van de patiënt onverwacht snel verslechtert). De wettelijke meldplicht rust op de arts die de euthanasie daadwerkelijk heeft uitgevoerd. In de bedoelde situaties zal de uitvoerend arts zich mogen baseren op de informatie van eveneens bij het euthanasietraject betrokken collegae, maar hij zal zich ook zelf ervan moeten vergewissen dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan’.
De feiten in deze melding
De commissie stelt vast dat de huisarts van de patiënt, die wel een lange behandelrelatie had met de patiënt, zelf niet bereid was om de euthanasie uit te voeren. De arts verklaarde tijdens de mondelinge toelichting dat de EE-verpleegkundige de huisarts van de patiënt gesproken had en die verklaarde aan haar dat zij niet bereid was de euthanasie uit te voeren. Wel bevestigde de huisarts dat er over euthanasie was gesproken, maar dat zij zelf niet wilde uitvoeren vanwege persoonlijke redenen. Daarmee is het voor de commissie vast komen te staan dat er geen arts was met een behandelrelatie die gehoor kon geven aan het euthanasieverzoek van de patiënt.
De arts verklaarde tijdens de mondelinge toelichting dat hij de situatie waarin de patiënt zich bevond zeer mensonwaardig vond. De patiënt had zichzelf totaal verwaarloosd. Hij accepteerde geen extra hulp en wilde absoluut niet opgenomen worden in een zorginstelling. Vanwege de zeer slechte en schrijnende toestand waarin de patiënt zich bevond besloot de arts om na één gesprek een consulent te benaderen. De arts heeft de situatie beoordeeld door te spreken met de huisarts, met de vertrouwenspersoon van de patiënt (de buurvrouw), de collega verpleegkundige, de medisch manager EE en de consulent. De arts concludeerde dat de situatie onhoudbaar was en langer wachten geen verschil zou maken, enkel een verlenging van de situatie waar de patiënt zich in bevond.
Het oordeel van de commissie
De commissie oordeelt dat in deze melding sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met dat van een niet-behandelend arts in acute situaties. Het is voor de commissie duidelijk geworden dat de patiënt zich in een zeer slechte toestand bevond en dat de arts overtuigd was dat er niet gewacht kon worden met de uitvoering. Ook was er op dat moment geen arts beschikbaar die wel een lange behandelrelatie had met de patiënt die op het verzoek van de patiënt wilde ingaan. De commissie is van mening dat de arts zich voldoende heeft ingespannen om in een relatief kort tijdsbestek de situatie van de patiënt goed te kunnen doorgronden door niet alleen met hem, maar ook met zijn naasten, de huisarts en de consulent afstemming te zoeken. De commissie komt tot het oordeel dat de bepalingen uit de EuthanasieCode die te maken hebben met een acute situatie en een arts zonder behandelrelatie hier van toepassing zijn.
De commissie oordeelt dat de arts ervan overtuigd kon zijn dat het euthanasieverzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen was. De commissie legt hieronder uit waar zij dit oordeel op baseert.
Het juridisch kader
Het verzoek van de patiënt moet vrijwillig zijn. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten. In de eerste plaats moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). In de tweede plaats moet de patiënt wilsbekwaam zijn ten aanzien van zijn euthanasieverzoek (interne vrijwilligheid). Het verzoek moet voorts weloverwogen zijn. Dat betekent dat de patiënt een zorgvuldige afweging heeft gemaakt op basis van voldoende informatie en een helder ziekte-inzicht (EuthanasieCode 2022, pagina 20-21).
De feiten in deze melding
De arts verklaarde dat hij de patiënt leerde kennen als een eigenzinnige man die graag op zich zelf was en altijd zelf de regie had over zijn leven. De patiënt had met zijn vrouw in isolement geleefd en ze hadden geen sociaal netwerk. Nadat de vrouw van de patiënt overleed, vijf jaar geleden, is de buurvrouw in beeld gekomen als contactpersoon. De patiënt vroeg zijn huisarts één jaar voor het overlijden om euthanasie. Vier maanden voor het overlijden meldde de patiënt zich aan bij EE. Tijdens het gesprek met de arts was de patiënt consistent in zijn euthanasiewens en vroeg hij de arts om zo snel mogelijk over te gaan tot euthanasie. Ook voerde de arts overleg met de contactpersoon van de patiënt en zijn huisarts. Zij benadrukten dat de patiënt een actuele euthanasiewens had. De arts merkte daarbij geen onaanvaardbare invloed op van anderen.
Tijdens het eerste gesprek met de verpleegkundige was het haar opgevallen dat de patiënt gedesoriënteerd was in tijd. Gedurende het gesprek met de arts een maand later was de patiënt helder. De verpleegkundige was ook bij dit gesprek en gaf aan dat de patiënt cognitief in betere staat was dan tijdens het eerste gesprek, maar de lichamelijke conditie sterk was verslechterd. De consulent constateerde dat de patiënt niet georiënteerd in tijd was, traag overkwam maar wel coherent was in zijn denken. De patiënt gaf tijdens het gesprek met de consulent aan dat hij lag te wachten op de dood. De arts en de consulent concludeerden dat de patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek.
Tijdens de mondelinge toelichting gaf de arts aan dat de patiënt informatie goed begreep en helder en duidelijk kon vertellen hij wel en niet wilde. Daarmee achtte hij de wens weloverwogen.
Het oordeel van de commissie
De commissie komt tot het oordeel dat de arts overtuigd kon zijn dat de patiënt een vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek had. Ondanks het korte tijdsverloop had de arts geen enkele twijfel aan de euthanasiewens die de patiënt uitte. De afwegingen die de patiënt maakte waren logisch en in voldoende mate onderbouwd. De arts verklaarde dat hij geen twijfels had over de wilsbekwaamheid ter zake van patiënt en de gevolgen van zijn euthanasieverzoek goed begreep. Daarbij waren er voor de commissie geen aanwijzingen dat sprake was van beïnvloeding van buitenaf. Ook betrekt de commissie in haar oordeel dat de consulent de arts steunde in zijn bevindingen.
De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt
Uitzichtloos lijden en ontbreken redelijke andere oplossing
Het juridisch kader
Het lijden van een patiënt wordt als uitzichtloos beschouwd als de ziekte of aandoening die het lijden veroorzaakt niet te genezen is en het ook niet mogelijk is de symptomen zodanig te verzachten dat daardoor de ondraaglijkheid verdwijnt. Bij het beoordelen van de uitzichtloosheid staan de diagnose en de prognose centraal. De uitzichtloosheid betreft de vraag of er een reëel uitzicht is op het wegnemen of verzachten van de symptomen anders dan door euthanasie. Daarbij moet de arts rekening houden met zowel de mate van verbetering die de behandeling kan bewerkstelligen als met de belasting die deze behandeling voor de patiënt met zich brengt (zie EuthanasieCode 2022, pagina 26).
De arts moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Deze zorgvuldigheidseis, die gezien moet worden in relatie tot de uitzichtloosheid van het lijden, houdt verband met het ingrijpende en onomkeerbare karakter van euthanasie. Als er minder ingrijpende manieren zijn om het ondraaglijk lijden van de patiënt weg te nemen of wezenlijk te verminderen, verdienen die de voorkeur (zie EuthanasieCode 2022, pagina 28).
De feiten in deze melding
De commissie stelt vast dat het lijden van de patiënt is begonnen door functieverlies, zijn slechte motoriek en vervolgens zijn wens om te sterven. De patiënt was drie weken voor het overlijden gestopt met eten en drinken waardoor hij enorm verzwakte, maar het lukte de patiënt niet om compleet te stoppen met drinken. Hij lag de hele dag in bed. De patiënt bevuilde zijn bed continue vanwege het laten lopen van zijn urine en hij wilde geen katheter. De thuiszorg kon worden uitgebreid, maar dit wilde de patiënt niet. De patiënt maakte de arts duidelijk dat hij absoluut nergens anders heen wilde en zo snel mogelijk thuis wilde sterven.
De arts verklaarde tijdens de mondelinge toelichting dat hij direct na het bezoek aan de patiënt de huisarts heeft benaderd en gevraagd om bij de patiënt langs te gaan. Hij adviseerde de huisarts om over te gaan tot sedatie. De arts was overtuigd dat de patiënt met palliatieve sedatie niet lang meer zou leven. De huisarts vond de situatie van de patiënt zeer schrijnend, maar wilde niet overgaan tot sederen in de thuissituatie. De huisarts raadde aan om de patiënt te laten opnemen in een hospice zodat daar de sedatie kon starten. De arts verklaarde dat de patiënt niet naar een andere locatie wilde en thuis wilde overlijden. De arts concludeerde dat mogelijke alternatieven hierdoor niet meer voorhanden waren. Hij raadpleegde direct een consulent. Deze concludeerde dat er sprake was van uitzichtloos lijden gezien de zwakke conditie en hoge leeftijd van de patiënt. Zij stelde vast dat stoppen met eten en drinken niet goed haalbaar bleek voor de patiënt en er geen redelijke alternatieven meer bestonden voor de patiënt.
Het oordeel van de commissie
Het is de commissie tijdens het gesprek met de arts gebleken dat hij met de patiënt de mogelijke alternatieven zoals palliatieve sedatie had besproken. Daaruit leidt de commissie af dat de patiënt nog maar een zeer beperkte levensverwachting had, omdat palliatieve sedatie alleen mogelijk is bij een levensverwachting van korter dan twee weken. De patiënt wees palliatieve sedatie af omdat de huisarts de sedatie niet in de thuissituatie wilde opstarten en de patiënt absoluut niet opgenomen wilde worden in een hospice of andere zorginstelling.
Vervolgens stelt de commissie vast dat ook de consulent overtuigd was van het uitzichtloze lijden van de patiënt en dat er voor zijn situatie geen redelijk andere oplossing was.
De commissie is van oordeel dat de arts overtuigd kon zijn dat aan deze zorgvuldigheidseis was voldaan. De arts heeft duidelijk gemotiveerd dat er geen mogelijkheden waren om het lijden van de patiënt te verlichten. Ook neemt de commissie in haar overweging mee dat de patiënt slechts nog een beperkte levensverwachting had en genezing van zijn aandoeningen niet mogelijk was. Tot slot betrekt de commissie bij haar oordeel dat de consulent de arts steunde in zijn overwegingen.
Ondraaglijk lijden
De commissie is van oordeel dat de ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt zoals hierboven en onder ‘Introductie van de casus’ voldoende duidelijk is geworden. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat alle bij de casus betrokken artsen ervan overtuigd waren dat het lijden voor deze patiënt ondraaglijk was. De commissie zal hierover dan ook niet nader motiveren.
De commissie komt gelet op het bovenstaande tot het oordeel dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en dat de arts met de patiënt tot de overtuiging kon komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.