De arts begon met het verlenen van hulp bij zelfdoding door de patiënt een drankje met barbituraat aan te reiken. De arts en de patiënt hadden samen afgesproken dat als hij niet binnen twee uur zou overlijden, de arts over zou gaan tot levensbeëindiging op verzoek. Nadat de patiënt na de afgesproken tijd nog niet was overleden, diende een andere aanwezige arts (een AIOS) een spierverslapper toe. De arts is hiermee afgeweken van de richtlijn. Zij had namelijk zelf een coma-inductor moeten toedienen en daarna een spierverslapper. In plaats daarvan heeft zij de procedure overgelaten aan iemand anders. Door niet zelf de hele procedure uit te voeren, heeft de arts niet medisch zorgvuldig gehandeld.

Introductie van de casus

Bij de patiënt, een man tussen de 60 en 70 jaar, was sprake van een cluster B-persoonlijkheidsstoornis met borderline, histrionische en narcistische trekken.

De patiënt had in zijn leven nooit echt geluk gekend. Hij was vanaf zijn 18e jaar behandeld door middel van medicatie, klinische opnames en verschillende verbale en non-verbale therapieën. Deze behandelingen konden zijn lijden echter niet wegnemen. Hij worstelde jarenlang met doodsgedachten en ondernam drie suïcidepogingen. In zijn jeugd was sprake van affectieve en emotionele verwaarlozing. Ook in zijn latere leven ervoer hij constante afwijzing en liep hij vast in zijn relaties. Elke nieuwe afwijzing was voor hem een bevestiging dat het leven hem niet gegund werd. Hij stootte daardoor zijn omgeving af en raakte steeds eenzamer. De patiënt kon niet verdragen dat hij regelmatig werd aangesproken op zijn gedrag door een familielid. Daardoor zorgde het contact met zijn naasten ook voor lijden. Daarnaast was zijn dochter misbruikt door een naaste, wat de patiënt afschuwelijk vond. Hij had geen enkele hoop meer op verbetering en zag geen perspectief waarin hij ooit het leven aan zou kunnen. Hij kon het niet meer opbrengen om verder te leven.

Vijf maanden voor het overlijden maakte de arts kennis met de patiënt. Zij spraken elkaar ongeveer tien keer. In elk gesprek vertelde de patiënt aan de arts dat hij een euthanasieverzoek had en vroeg hij haar om zijn doodswens in te willigen. De arts riep psychiatrische expertise in en vroeg een onafhankelijk psychiater om de patiënt te beoordelen in het kader van zijn euthanasiewens. Deze onafhankelijk psychiater bezocht de patiënt ongeveer een maand voor het overlijden twee keer. Ook raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de patiënt negen dagen voor het overlijden.

Om de hulp bij zelfdoding uit te voeren, reikte de arts de patiënt een drankje aan met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021. De patiënt overleed niet binnen de afgesproken tijd, waarna de ook aanwezige AIOS geriatrie de spierverslapper toediende. Hierop overleed de patiënt.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseis bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, Wtl.

De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de overige zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.