Bij de patiënte was sprake van vergevorderde dementie waardoor zij wilsonbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. De commissie heeft stilgestaan bij de vraag of de omstandigheden waarin de patiënte verkeerde overeenkwamen met hetgeen vastgelegd in haar schriftelijke wilsverklaring. De commissie oordeelt dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht en dat de arts kon concluderen dat uitvoering van de euthanasie in de lijn lag met de schriftelijke wilsverklaring van patiënte en er geen contra-indicaties bestonden.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw  tussen de 60 en 70 jaar, werd zeven jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Sinds zes maanden voor het overlijden verbleef zij middels een rechterlijke machtiging op een gesloten afdeling van een verpleeghuis, omdat zij in verband met progressie van haar ziekte niet meer thuis kon wonen. Patiënte werd hier optimaal begeleid en medicamenteus behandeld voor de onrust die zij ervoer, echter zonder resultaat of met veel bijwerkingen.

Het lijden van patiënte bestond uit een totaal verlies van controle over haar leven, iets wat zij altijd vreesde en expliciet niet had gewild. Haar zelfstandigheid verdween langzaam. Toen zij werd opgenomen in een verpleeghuis, een situatie die zij altijd had afgewezen, verdween haar zelfstandigheid definitief. Patiënte was niet meer de zelfstandige en trotse vrouw die zij eens was, maar iemand die door anderen werd gewassen, gevoed en begeleid. Daarnaast verkeerde patiënte constant in een staat van onrust en verwarring. Zij was de grip op haar omgeving kwijt, kon niet begrijpen waar ze was en voelde zich verloren. Haar dagen bestonden uit eindeloos dwalen door de gangen, op zoek naar iets wat zij niet kon vinden, en het uitten van haar wanhoop in herhalende kreten. Haar geest was gevangen in een wereld die zij niet begreep en waarin zij geen rust vond.

Patiënte had, na de vaststelling van de diagnose dementie zeven jaar voor het overlijden, meerdere gesprekken gevoerd met haar huisarts over haar euthanasiewens op termijn. Korte tijd nadat de diagnose dementie was gesteld had patiënte een levenstestament opgesteld, die een verzoek om euthanasie bevatte. Patiënte had haar schriftelijke wilsverklaring meermaals besproken met haar huisarts en haar familie. Gedurende deze gesprekken was patiënte wilsbekwaam ten aanzien van haar verzoek om euthanasie.

De behandelend specialist ouderengeneeskunde van patiënte wilde geen euthanasie uitvoeren bij wilsonbekwame patiënten. Hierop wendde de echtgenoot van patiënte zich enkele maanden voor het overlijden tot EE.

De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige bezocht patiënte anderhalve maand voor het overlijden.

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënt één maand voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.