De eerste consulent (SCEN-arts) oordeelde dat niet was voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen inzake het uitzichtloos lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing. Op advies van de consulent raadpleegde de arts een onafhankelijke deskundige. Deze kwam tot de conclusie dat patiënt leed aan een progressief verlopende aandoening waarvoor curatieve behandelopties ontbraken. De arts voelde zich daarmee gesterkt in zijn overtuiging dat het lijden van de patiënt uitzichtloos was en dat er geen redelijk andere oplossingen meer bestonden. De arts consulteerde een tweede consulent (SCEN-arts) die tot dezelfde conclusie kwam.

De arts heeft het verslag van de eerste consulent, na aanvullend onderzoek, terecht naast zich neergelegd en is op goede gronden tot de overtuiging gekomen dat het lijden van de patiënt uitzichtloos was en dat er geen redelijke alternatieven meer voor handen waren.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.
 

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 80 en 90 jaar oud, was ruim vier jaar voor het overlijden sprake van beginnend mild cognitive impairment (MCI) en ongeveer twee maanden voor zijn overlijden werd de diagnose dementie gesteld. Tevens leed patiënt al geruime tijd aan COPD waarbij er uiteindelijk sprake was COPD GOLD IIB.

Patiënt is jarenlang mantelzorger geweest voor zijn vrouw die ernstig ziek was en veel pijn had. Dit ging lang goed tot patiënt fysiek steeds verder achteruit ging. Het lopen ging steeds moeizamer. Zijn COPD werd medicamenteus behandeld maar desondanks werd patiënt steeds benauwder. Fysiek kon hij zijn mantelzorgtaken en zijn taken in het huishouden niet meer volbrengen.

De laatste maanden voor zijn overlijden ging patiënt met name ook geestelijk snel achteruit. Het jaar voor het overlijden was zwaar voor hem. Hij merkte dat hij toenemend vergeetachtig werd. Hij kon bijna niets meer onthouden. Hij raakte voortdurend het spoor bijster en hij kreeg een hekel aan zichzelf. Hij was wanhopig want hij besefte dat hij niet meer voor zichzelf kon zorgen en dat hij zijn autonomie kwijt was geraakt. Alleen door sturing van zijn vrouw kon hij het leven nog volhouden. Zij gaf hem steun en wees hem de weg in praktische zaken. Steeds meer was hij zich er sterk van bewust dat hij zich zonder de sturing van zijn vrouw niet zou kunnen redden.

Patiënt had steeds vaker slapeloze nachten van zorgen over de toekomst. Hij besefte heel goed dat het overlijden van zijn vrouw voor hem opname in het verpleeghuis zou betekenen. Dat was iets wat hij absoluut niet wilde en het was voor hem een gruwel. Hij was zijn hele leven een sportieve en ondernemende man geweest en was altijd erg gesteld geweest op zijn vrijheid en autonomie. Patiënt was zich pijnlijk bewust van zijn onbehandelbare aandoeningen en dat hem in de toekomst slechts verdere achteruitgang te wachten stond waardoor er voor hem sprake was van een uitzichtloze situatie waaraan hij ernstig leed.

Ruim een jaar voor het overlijden had patiënt zich aangemeld bij EE. Patiënt had ongeveer elf maanden voor het overlijden een eerste gesprek met de arts waarin hij aangaf gelijktijdig met zijn ernstig zieke vrouw te willen overlijden. De arts wees het euthanasieverzoek van patiënt in eerste instantie af omdat zij van mening was dat er bij patiënt nog geen sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Ongeveer vier maanden voor het overlijden kwam patiënt hierop terug bij de arts omdat hij forse achteruitgang van zijn geheugen en lichaam bemerkte. Hij redeneerde dat zijn aftakeling zo snel ging dat dat in het verpleeghuis ook zo zou doorgaan en dat wilde hij niet meemaken. Hij verzocht de arts het traject weer op te pakken en hij gaf opnieuw aan gelijktijdig met zijn vrouw te willen overlijden.

De arts heeft patiënt vervolgens vier maal bezocht. Direct bij het eerste gesprek, ongeveer drie maanden voor het overlijden heeft patiënt de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënt heeft dit bij elk volgende gesprek herhaald. Volgens de arts was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen en zij was bereid de euthanasie uit te voeren.

In deze casus heeft de arts twee consulenten en een onafhankelijk deskundige geraadpleegd. De eerste consulent bezocht patiënt ruim twee maanden voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat er niet was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen. De arts besloot daarop een onafhankelijk deskundige te raadplegen. Deze onderzocht patiënt ongeveer anderhalve maand voor het overlijden. Ongeveer een maand voor het overlijden raadpleegde de arts de tweede consulent.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
 

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.