Meldingen die als onzorgvuldig zijn beoordeeld

Jaarverslag RTE 2025

In 2025 kwam de RTE zeven keer tot het oordeel dat de arts bij het verlenen van euthanasie niet heeft voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. Het gaat om de volgende gevallen:

  • Consultatie (1x)
  • Grote behoedzaamheid bij een psychische aandoening (1x)
  • Medisch onzorgvuldige uitvoering (5x)

De oordelen leest u samengevat hieronder en zijn in een meer uitgebreide vorm te vinden op de website.

Consultatie

Volgens de Wtl moet de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts consulteren die de patiënte ziet en schriftelijk haar oordeel geeft over de zorgvuldigheidseisen a tot en met d. De wet spreekt met betrekking tot de consulent van een ‘onafhankelijke arts’. Onafhankelijkheid betekent in deze context dat de consulent in staat is een eigen oordeel te geven. Daarbij gaat het om onafhankelijkheid ten opzichte van zowel de arts als de patiënte. Daarom is het van belang dat de consulent in haar verslag ingaat op haar relatie met de arts en de patiënte, en dat ook de arts in haar verslag ingaat op haar relatie met de consulent. De vereiste onafhankelijkheid ten opzichte van de arts houdt in dat er geen persoonlijke, organisatorische, hiërarchische of financiële relatie bestaat.

Onafhankelijkheid van de consulent ten opzichte van de patiënte houdt onder meer in dat er geen onderlinge (familie)relatie of vriendschap bestaat tussen de consulent en de patiënte en dat de consulent geen (mede)behandelaar van de patiënte is of recentelijk geweest is. Een eenmalig contact tussen de arts en de patiënte in het kader van de waarneming hoeft geen probleem te zijn. Dat zal afhangen van de aard van het contact en het moment waarop het plaatsvond (EuthanasieCode 2022).

Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Dit onderwerp staat op pagina’s 16-20.

In onderstaande melding oordeelde de commissie dat de arts niet volgens de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, omdat hij aanwezig was bij het gesprek tussen de vrouw en de consulent.

Grote behoedzaamheid bij een psychische aandoening

Als een verzoek om euthanasie (grotendeels) voortkomt uit lijden dat het gevolg is van een psychische aandoening, wordt van de arts grote behoedzaamheid gevraagd. Die behoedzaamheid betreft vooral de wilsbekwaamheid van de patiënte ten aanzien van haar verzoek, de uit- zichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing. Het uitgangspunt van de RTE is dat de arts bij deze patiënten altijd psychiatrische expertise moet inroepen. Doel van het inroepen van psychiatrische expertise is dat de arts zich goed laat voorlichten en kritisch reflecteert op de eigen overtuiging (EuthanasieCode 2022).

Per 1 januari 2026 is de EuthanasieCode geactualiseerd. Het bijzondere onderwerp ‘patiënten met een psychische aandoening of een combinatie van een somatische aandoening en een psychische aandoening’ is daarin aangepast. Het toetsingskader is verhelderd. Er is onderscheid gemaakt tussen verschillende situaties en wat in die situaties van een arts wordt verwacht. Ook is een stroomdiagram toegevoegd. Dit onderwerp is te vinden op pagina’s 27-30.

In de volgende melding was door een andere arts dan de uitvoerend arts een psychiater geraadpleegd. De arts had zelf geen contact gehad met de geraadpleegde psychiater. De commissie was van oordeel dat dit niet kon worden gezien als het inroepen van psychiatrische expertise. De arts voldeed daarom niet aan de gevraagde grote behoedzaamheid.

Medisch onzorgvuldige uitvoering – Richtlijn niet gevolgd

Bij het beoordelen van de zorgvuldigheidseis van de medisch zorgvuldige uitvoering hanteren de commissies de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding uit 2021 (hierna: de Richtlijn) als leidraad.1 De Richtlijn geeft artsen en apothekers advies over een in de praktijk goed toepasbare en effectieve uitvoering van euthanasie en hulp bij zelfdoding. De Richtlijn geeft de middelen van eerste keuze aan en noemt ook middelen die worden afgeraden (EuthanasieCode 2022).

De Richtlijn schrijft op pagina 17 het volgende voor: “Als een patiënt niet of onvoldoende reageert op de dosering thiopental of propofol moet ervan uit worden gegaan dat het middel naast het vat is gespoten. Dit hoeft niet altijd zichtbaar te zijn als een bult. Er zal opnieuw een infuusnaald moeten worden ingebracht en de procedure zal opnieuw moeten worden uitgevoerd. Ter controle: als een infuusnaald goed is geplaatst, komt er bij opzuigen bloed uit de naald.”

Op pagina 20 van de Richtlijn staat: “Het spierrelaxans mag alleen worden toegediend aan een patiënt met een adequate bewustzijnsverlaging. Bij de geringste twijfel hieraan moet eerst alsnog een adequate bewustzijnsverlaging worden geïnduceerd door intraveneuze toediening van (meer) coma-inductor. Het spierrelaxans wordt direct toegediend na het vaststellen van een adequate bewustzijnsverlaging. Lang wachten heeft als risico dat de bewustzijnsverlaging minder diep wordt op het moment dat het spierrelaxans wordt toegediend en de patiënt dan alsnog de werking van het spierrelaxans ervaart. De in deze richtlijn genoemde dosering spierrelaxans veroorzaakt na intraveneuze toediening binnen enkele minuten een volledige paralyse van alle dwarsgestreepte spieren, behalve die van het hart. Dit heeft ademstilstand en de dood door anoxemie tot gevolg.”

Volgens de RTE is adequaat vastgesteld dat het bewustzijn van de patiënte voldoende is verlaagd (de zogenoemde ‘comacheck’) als de arts heeft vastgesteld dat een reactie uitblijft op een beschermende reflex (zoals de wimperreflex en de corneareflex) óf een reactie op een pijnprikkel (flinke druk op het nagelbed of een kneep in de monnikskapspier) (EuthanasieCode 2022).

Sinds 1 juli 2025 hanteert de RTE een nieuwe toetsnorm: als 30 of meer minuten zijn verstre­ken tussen het toedienen van de coma-inductor en de (laatst toege­diende) spierverslapper, bestaat er een te groot risico dat de patiënte het effect van de spierverslapper ervaart. De comacheck is dan niet meer vol­doende betrouwbaar. De RTE zal daarom in ieder geval de uitvoering als medisch onzorgvuldig gaan beoordelen in de gevallen waarin 30 of meer minuten zijn verstreken tussen toediening van de coma-inductor en de (laatste) spierverslapper.

[1] Toen deze meldingen werden beoordeeld, gold de Richtlijn uit 2021 nog. De meest recente versie van de Richtlijn is de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding uit 2025.

In de volgende drie meldingen is de Richtlijn op bovenstaande punten niet gevolgd:

Medisch onzorgvuldige uitvoering - Arts dient euthanatica niet zelf toe

In de volgende twee meldingen heeft de arts niet zelf de euthanatica toegediend. Op pagina 12 van de Richtlijn staat dat de arts eindverantwoordelijk is voor de medisch zorgvuldige uitvoering van de euthanasie of hulp bij zelfdoding, inclusief de keuze en dosering van de gebruikte middelen. Het is hierbij van belang dat de feitelijke uitvoering geschiedt door één arts, die zich er zelf van overtuigd heeft dat is voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen uit de Wtl.

Alleen de uitvoerende arts mag euthanatica toedienen (bij euthanasie) of aanreiken (bij hulp bij zelfdoding). Het inbrengen van een infuusnaald en het vooraf (eventueel) aansluiten aan een waakinfuus worden niet beschouwd als toedieningshandelingen. Alle handelingen daarna wel. Alleen de patiënte zelf mag een actieve rol hebben, bijvoorbeeld bij het openen van het infuuskraantje, zolang dit een zorgvuldige uitvoering niet in de weg staat. Anderen mogen geen actieve rol hebben bij de uitvoering van euthanasie of hulp bij zelfdoding (Richtlijn, pagina 12).