Bij een patiënte met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een autismespectrumstoornis (ASS) heeft de arts euthanasie uitgevoerd zonder rechtstreeks contact te hebben gehad met de onafhankelijk psychiater. De commissie oordeelt dat het ontbreken van enig rechtstreeks contact maakt dat de van de arts te verlangen behoedzaamheid niet is vervuld, omdat de arts daardoor onvoldoende kritisch heeft kunnen reflecteren op de eigen overtuiging aan de hand van een onafhankelijk en ter zake deskundig oordeel. De commissie oordeelde dat de arts niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen met betrekking tot de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.

Introductie van de casus

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 50 jaar en 60 jaar, was sinds lange tijd sprake van een complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook werd bij haar zes jaar voor het overlijden een autismespectrumstoornis (ASS) vastgesteld.

Patiënte had al tientallen jaren voor het overlijden een doodswens. Om die reden ondernam ze meermaals ernstige suïcidepogingen. Zij kampte met herbelevingen van seksueel misbruik tijdens haar jeugd en voelde zich alleen in haar lijden. Patiënte kon geen plek vinden in de maatschappij en had het gevoel niet bij het leven te horen. De onvoorspelbaarheid van de wereld maakte haar angstig. Met name sociale contacten vond zij erg moeilijk omdat zij geen aansluiting kon vinden bij anderen.

Ruim tien jaar voor het overlijden onderging patiënte een EMDR-behandeling. Door deze behandeling ontregelde zij. Sindsdien werd zij intensief behandeld in de GGZ en verbleef zij jarenlang op verschillende klinische afdelingen. Patiënte was voor haar PTSS behandeld door middel van (onder meer) cognitieve gedragstherapie, dialectische gedragstherapie en mindfullness training. Ook doorliep zij het gehele depressieprotocol, inclusief electroconvulsietherapie. Daarnaast werd zij uitgebreid behandeld met medicatie. Voor haar ASS kreeg zij psycho-educatie en begeleiding. Alle behandelingen waren zonder het gewenste effect gebleven.

De arts, zelf psychiater, en patiënte spraken bijna twee jaar voor het overlijden voor het eerst met elkaar over euthanasie. De arts was op dat moment niet de behandelend psychiater van patiënte.

Haar euthanasiewens werd destijds behandeld door haar toenmalige behandelend psychiater, die voornemens was om aan haar euthanasiewens gehoor te geven. In dat kader werd een second opinion aangevraagd. De second-opinion psychiater onderzocht patiënte ongeveer twee jaar voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat patiënte wilsbekwaam was en dat haar lijden uitzichtloos was. Hierna beëindigde echter de toenmalige behandelend psychiater de werkzaamheden bij de instelling waar patiënte verbleef, voor het tot uitvoering van de euthanasie kon komen.

Vier maanden vóór het overlijden werd de arts door de (nieuwe) behandelaren van patiënte opnieuw bij het nog altijd aanwezige euthanasieverzoek betrokken, maar nu met het oog op de uitvoering hiervan. Patiënte verzocht de arts toen om de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Dit verzoek herhaalde zij daarna in meerdere gesprekken.

De arts besprak twee maanden voor de uitvoering met de behandelend instellingspsychiater van patiënte dat, gelet op het tijdsverloop, een update van de eerdere second opinion noodzakelijk was. De arts zag zich daarbij gesteld voor het probleem dat zij en de second-opinion psychiater nauwe relaties onderhielden; zij kenden elkaar en werkten veel samen. Tegelijkertijd gaf patiënte aan dat zij ‘absoluut niet’ een nieuwe beoordeling door een nieuwe psychiater wilde. De arts en de behandelend psychiater besloten in deze situatie dat - vanwege de relatie tussen de arts en de second-opinion psychiater, de behandelend psychiater om een update van de second opinion zou vragen. Drie maanden voor het overlijden onderzocht de eerder geraadpleegde second-opinion psychiater patiënte opnieuw. Hij richtte daarbij zijn bevindingen aan de behandelend psychiater, die immers degene was die contact met hem had opgenomen. De arts heeft over patiënte geen contact gehad met de psychiater die de second opinion had uitgevoerd.

Als consulent raadpleegde de arts een huisarts als onafhankelijk SCEN-arts, die patiënte ongeveer een maand voor het overlijden bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Het inroepen van psychiatrische expertise

De commissie constateert dat patiënte tweemaal door dezelfde psychiater is onderzocht voor een second opinion. De commissie zag zich voor de vraag gesteld of het ten tweede male bij de casus betrekken van deze second-opinion psychiater gezien kan worden als het inroepen van psychiatrische expertise als bedoeld in de EuthanasieCode 2022.

Daartoe is de arts gevraagd om een mondelinge toelichting. De commissie beantwoordt deze vraag ontkennend: in deze casus heeft de arts niet de psychiatrische expertise ingeroepen op de wijze als bedoeld in de EuthanasieCode 2022.

Daaruit volgt dat de arts niet de grote behoedzaamheid heeft betracht die wordt verwacht. Dit betekent dat deze niet volgens de zorgvuldigheidseisen inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing, heeft gehandeld. Hieronder legt de commissie uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en aan de mondelinge toelichting van de arts, overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b en d Wtl.  De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, e en f Wtl.