De patiënte overleed niet na toediening van de coma-inductor en de spierverslapper. De arts heeft vervolgens in een nieuw geprikt infuus een tweede dosering spierverslapper toegediend. Volgens de KNMG/KNMP-richtlijn dient de gehele procedure opnieuw te worden uitgevoerd als patiënte niet overlijdt na de eerste set euthanatica. In deze melding heeft de arts niet de gehele procedure opnieuw uitgevoerd, omdat in het nieuwe infuus geen coma-inductor is toegediend. De commissie is daarom van oordeel dat de levensbeëindiging niet medisch zorgvuldig is uitgevoerd.

Introductie van de casus

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 70 en 80 jaar, was sinds zestien maanden voor het overlijden sprake van een verdenking van een gemetastaseerd appendixcarcinoom (uitgezaaide blindedarmkanker). Door algehele spierzwakte, braken en forse vermagering was patiënte snel kortademig en vermoeid. Zij kon als gevolg van deze forse vermoeidheid vrijwel niets meer. Zelfs eten kostte haar meer kracht dan zij kon opbrengen. Ook traplopen en in haar keuken staan was voor haar niet meer mogelijk. Patiënte verloor hierdoor in toenemende mate haar zelfstandigheid. Zij was gehecht aan haar autonomie en vond het vreselijk dat zij steeds afhankelijker werd van zorg. Het reële vooruitzicht dat haar situatie niet meer zou verbeteren en zij alleen nog maar in bed zou kunnen liggen, was voor haar afschuwelijk. Patiënte wilde een helder bewustzijn houden  in de communicatie met haar naasten en verdere aftakeling niet meer meemaken.

De arts sprak vijf maanden voor het overlijden voor het eerst met patiënte in algemene zin over euthanasie. Zij gaf aan dat zij in de toekomst euthanasie zou willen, maar toen nog geen concreet verzoek voor uitvoering van levensbeëindiging op verzoek had. Negen dagen voor het overlijden had patiënte dit wel. De arts raadpleegde hierop als consulent een onafhankelijk arts, die haar dezelfde dag bezocht.

De uitvoering van de levensbeëindiging verliep gecompliceerd. Patiënte overleed namelijk niet na toediening van de spierrelaxans. De arts constateerde dat het infuus subcutaan liep en legde daarom een nieuw infuus aan in de andere arm. De arts diende in het nieuwe infuus een tweede dosering spierrelaxans toe, waarop patiënt overleed.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseis bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, Wtl.

De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de overige zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.