Oordeel 2021-47, zorgvuldig, NVO-melding, combinatie van aandoeningen, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Patiënte leed aan een combinatie van aandoeningen. Bij zijn eerste bezoek was de consulent niet overtuigd van de ondraaglijkheid van het lijden. Bij zijn tweede bezoek, enkele maanden later, was hij hier wel van overtuigd.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een vrouw, tussen de zeventig en tachtig jaar, was sinds geruime tijd voor het overlijden sprake van reumatoïde artritis en diabetes mellitus type I. Ondanks maximale anti reumatische behandelingen had zij zeer veel pijn in vele gewrichten. De vrouw werd onder andere met prednison injecties behandeld om de pijn enigszins te controleren, maar dientengevolge raakt haar diabetes mellitus volledig ontregeld. Daarnaast had de vrouw een longfibrose ontwikkeld, mogelijk ten gevolge van de anti reumatische medicatie, of mogelijk ook ten gevolge van de reuma zelf. Hierdoor was zij bij de geringste inspanning benauwd. Tevens ontwikkelde zij een uveitis (oogontsteking) waardoor haar zicht verslechterde.

De vrouw had ernstige pijn in al haar gewrichten die niet onder controle was met medicatie. Hierdoor was sprake van krachts- en functieverlies waardoor zij steeds minder zelfstandig kon doen. Ook schommelde haar suikerspiegel sterk door het gebruik van prednison wat regelmatig leidde tot hypo’s (laag bloedglucosegehalte). De vrouw had een krachtige persoonlijkheid met een sterke eigen wil en groot doorzettingsvermogen. Door deze karaktereigenschappen had zij haar lijden lang kunnen dragen, maar uiteindelijk had deze strijd haar uitgeput. Zij leed onder de continu aanwezig pijn, het verlies van zelfstandigheid en het gebrek aan perspectief. De vrouw ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De vrouw had regelmatig met de arts over euthanasie gesproken. Ongeveer twee maanden voor het overlijden heeft de vrouw de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Zij persisteerde in dat verzoek. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

De arts vond het in eerste instantie lastig om de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden in te schatten. De vrouw was ondanks haar verzoek zeer actief en geïnteresseerd in allerlei zaken. De arts raadpleegde daarom in een vroeg stadium een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Hij bezocht de vrouw ongeveer elf maanden voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat nog niet aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan omdat het lijden van de vrouw nog niet ondraaglijk is. Wel was het lijden invoelbaar en te verwachten viel dat dit lijden op enig moment in de toekomst ondraaglijk zou worden.

Toen de vrouw haar daadwerkelijke verzoek deed was de arts ervan overtuigd geraakt dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Hierbij had het verslag van de vroeg consultatie geholpen en inmiddels was de arts ook getuige geweest van de pijnen bij de vrouw en haar toenemende benauwdheid. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts raadpleegde vervolgens de consulent opnieuw, die de vrouw vijf weken voor het overlijden bezocht. In aanvulling op het eerdere verslag kwam hij tot de conclusie dat het lijden ondraaglijk was geworden voor de vrouw en hiermee wel aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.