Oordeel 2019-01, zorgvuldig, medisch specialist, combinatie van aandoeningen, zorgvuldigheidseisen algemeen

Overlijden in slaap

Patiënte wilde in haar slaap overlijden en daarom heeft de arts patiënte eerst in slaap gebracht voordat hij tot uitvoering van de euthanasie overging.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Patiënte, een vrouw van 80-90 jaar, kampte geruime tijd met ernstig COPD GOLD II. Zij had vele exacerbaties doorgemaakt. Tevens was bij patiënte sprake van ernstige osteoporose (waardoor meerdere wervelfracturen), chronische nierinsufficiëntie, een anemie en algehele lichamelijke achteruitgang. Met name in de laatste maanden voor het overlijden waren de klachten progressief van aard en vonden meerdere ziekenhuisopnames plaats.

Tijdens een ziekenhuisopname werd hartfalen geconstateerd en een pacemaker geplaatst. Een week voor het overlijden werd patiënte opnieuw opgenomen in het ziekenhuis in verband met progressieve dyspnoe klachten.Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.

Het lijden van patiënte bestond uit toenemende lichamelijke achteruitgang, ernstige progressieve therapieresistente dyspnoe, pijn, krachtverlies, ernstige vermoeidheid en vermagering. Patiënte was als gevolg van haar lichamelijke beperkingen volledig bedlegerig en afhankelijk geworden. Zij was vrijwel nergens meer toe in staat en bij de geringste inspanning uitgeput. De dyspnoe was zo heftig, dat patiënte het gevoel had om te stikken. Patiënte leed onder het vooruitzicht op toenemende aftakeling en invaliditeit.

Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënte ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënte aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënte voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënte had sinds vijf dagen voor het overlijden met de arts over euthanasie gesproken en hem
om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënte heeft haar euthanasieverzoek hierna meerdere malen herhaald.

De arts heeft voorts overlegd met de huisarts van patiënte. De huisarts vond de euthanasiewens van patiënte invoelbaar. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte op de dag van de levensbeëindiging nadat zij door de arts over patiënte was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.

De consulent gaf in haar verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënte. In haar verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënte tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

Patiënte wilde in haar slaap overlijden en daarom heeft de arts patiënte eerst in slaap gebracht door toediening van 15 mg midazolam voordat hij tot uitvoering van de euthanasie overging.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts is met patiënte tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.