Op deze pagina staan de Richtlijnen werkwijze van de de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (hierna: de RTE).
Preambule
Artikel 19, tweede lid, onder b, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels zijn gesteld over de werkwijze en verslaglegging van de commissies. Dit is vastgelegd in het Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wtl (Besluit).
Artikel 5 van dit Besluit bepaalt dat de voorzitters richtlijnen vaststellen voor de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen en de daarbij te volgen procedure. In ieder geval worden regels gesteld omtrent:
- a. De wijze waarop de RTE de gemelde gevallen aan de zorgvuldigheidseisen toetst.
- b. De gevallen waarin de RTE de behandelende arts in ieder geval hoort.
- c. De wijze waarop de RTE de inlichtingen bedoeld in artikel 8, tweede lid en derde lid, van de wet vastlegt.
Tevens is het ingevolge artikel 4, tweede lid, onder b, van bovengenoemd Besluit de taak van de coördinerend voorzitter om in overleg met de voorzitters zorg te dragen voor het opstellen van richtlijnen met betrekking tot activiteiten van de commissies op het gebied van de voorlichting. Deels wordt aan deze bepaling gevolg gegeven door middel van de EuthanasieCode. Voor het overige gebeurt dat met dit document. In deze richtlijnen worden de begrippen als bedoeld in artikel 1 van de wet gehanteerd. Voor de leesbaarheid wordt enkelvoud voor de RTE’s gebruikt.
Missie RTE
De RTE toetst onafhankelijk alle euthanasiemeldingen aan de wet en geeft inzicht in de Nederlandse uitvoeringspraktijk en de wijze waarop de RTE deze toetsen. Hiermee draagt de RTE bij aan het vertrouwen in, en het bevorderen van een zorgvuldige uitvoeringspraktijk.
Hoofdstuk 1 Bevoegdheid
Artikel 1 Bevoegdheid
- De absolute bevoegdheid van de RTE vloeit voort uit art. 3, eerste lid, van de Wtl in samenhang met art. 293, tweede lid en 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht.
- De relatieve bevoegdheid van de RTE vloeit voort uit artikel 19 van de Wtl in samenhang met met artikel 3 van het Besluit.
Artikel 2 Onbevoegdheid
- De RTE is niet bevoegd indien:
a. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding niet is uitgevoerd door een arts, zoals bedoeld in artikel 3;
b. sprake is van normaal medisch handelen, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
- het staken of het niet starten van een medisch zinloze behandeling;
- het niet starten of staken van een medische behandeling op verzoek van de patiënt;
- een verhaasting van de dood als bijkomend gevolg van een behandeling, die noodzakelijk is voor, en naar haar aard rechtstreeks is afgestemd op het verlichten van ernstig lijden van de patiënt; - Alle meldingen worden in principe geregistreerd, behandeld en afgedaan in een oordeel inhoudende: ‘voldaan aan de zorgvuldigheidseisen’, ‘niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen’ of ‘onbevoegd’. Indien de RTE niet bevoegd is de melding in behandeling te nemen, is de volgende werkwijze van toepassing:
a. De RTE brengt haar oordeel schriftelijk ter kennis van de arts en stelt deze ervan op de hoogte dat de melding wordt teruggestuurd naar de gemeentelijk lijkschouwer.
b. De RTE zendt de melding terug naar de gemeentelijk lijkschouwer met een kopie van het oordeel.
Artikel 3 Meldend arts
- In artikel 1, onder c, van de Wtl wordt de ‘arts’ gedefinieerd als: de arts die volgens de melding levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend. Uitgangspunt hierbij is dat de arts die de levensbeëindiging daadwerkelijk heeft uitgevoerd of hulp bij zelfdoding heeft verleend het modelverslag ondertekent. Deze arts wordt als ‘meldend arts’ beschouwd en getoetst.
- Indien uit de meldingsgegevens blijkt dat een andere arts dan de melder de levensbeëindigende handeling heeft verricht, dient in beginsel de arts die de levensbeëindiging daadwerkelijk heeft uitgevoerd of de hulp bij zelfdoding heeft verleend de melding te doen bij de RTE door het modelverslag in te dienen en zo nodig aanvullende informatie te verstrekken.
- Onder arts in de zin van de Wtl wordt verstaan een BIG-geregistreerde arts.
Artikel 4
Wanneer een arts, ook na herhaald verzoek van de RTE, geen ondertekend beredeneerd en toegankelijk verslag overlegt zoals bij regeling is vastgesteld door de minister van VWS (het zogenaamde Modelverslag), stuurt de RTE de melding zonder inhoudelijke beoordeling retour aan de gemeentelijk lijkschouwer, onder verwijzing naar artikel 293, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht in samenhang met artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. De RTE kan in dat geval immers niet vaststellen of de arts aan de zorgvuldigheidseisen zoals opgenomen in de Wtl, heeft voldaan.
Hoofdstuk 2 Lidmaatschap commissie
Artikel 5 Benoeming leden
- Leden worden voor benoeming aan de ministers van VWS en JenV voorgedragen door een besluit van het voorzittersoverleg.
- Een uit de zittende leden samen te stellen selectiecommissie draagt een kandidaat voor aan het voorzittersoverleg.
- De selectiecommissie bestaat in ieder geval uit de coördinerend voorzitter, een arts-lid, een ethicus-lid en de algemeen secretaris.
Artikel 6 Benoeming coördinerend voorzitter
- De coördinerend voorzitter wordt voor benoeming aan de ministers van VWS en Jenv voorgedragen door een besluit van het voorzittersoverleg.
- Een uit de zittende leden samen te stellen selectiecommissie en draagvlakcommissie dragen de kandidaten voor aan het voorzittersoverleg.
- De selectiecommissie bestaat uit de leden van het dagelijks bestuur, een jurist-voorzitter, de algemeen secretaris en de directeur van ESTT. De plaatsvervangend coördinerend voorzitter is voorzitter van de selectiecommissie.
- De draagvlakcommissie geeft advies aan de selectiecommissie.
- De draagvlakcommissie bestaat uit een jurist-voorzitter, ethicus-lid, arts-lid, secretaris en adjunct-directeur van ESTT. De jurist-voorzitter is voorzitter van de draagvlakcommissie.
- De voordracht tot benoeming van de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter is een besluit van het voorzittersoverleg.
Artikel 7 Onpartijdigheid en verschoning
- Uit artikel 15 van de Wtl volgt dat een lid van de commissie zich verschoont indien er feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van zijn oordeel in twijfel zou kunnen worden getrokken.
- Een commissielid beoordeelt geen melding waarbij een ander lid uit de eigen regio als (SCEN-)arts, als onafhankelijk deskundige of op welke manier dan ook betrokken is.
- Het tweede lid is tevens van toepassing op oud-leden die de commissie minder dan twee jaar voor het beoordelen van de melding verlaten hebben.
Artikel 8 Werving intern
- Interne vacatures binnen de RTE worden aan alle leden kenbaar gemaakt.
- Voordracht van benoemingen voor het dagelijks bestuur en de interne reflectiekamer worden via het dagelijks bestuur respectievelijk de interne reflectiekamer voorgelegd aan het voorzittersoverleg voor definitieve besluitvorming.
Artikel 9 Deelname door leden
Van het commissielid wordt deelname aan de kennisdagen en de overige bijeenkomsten verwacht en regelmatige bijdrage aan de digitale discussieruimte.
Artikel 10 Voortgangsgesprek
- Aan het eind van het eerste jaar vindt een informeel, inventariserend, voortgangsgesprek plaats tussen de voorzitter van de regio en het commissielid. Het voortgangsgesprek met de voorzitter van de regio wordt gevoerd door een van de andere voorzitters van de regio.
- Er wordt geen input van anderen gevraagd.
- De voorzitter maakt (in overleg met het commissielid) een kort verslag en stuurt dit vertrouwelijk toe aan de coördinerend voorzitter, algemeen secretaris en het commissielid. Dit verslag wordt vernietigd zodra het commissielid stopt met zijn werk voor de RTE.
Artikel 11 Evaluatiegesprek t.b.v. herbenoeming
- Aan het eind van het derde jaar vindt een formeel evaluatiegesprek plaats tussen de voorzitter van de regio en het commissielid in verband met de voordracht tot herbenoeming. Het evaluatiegesprek met de voorzitter van de regio wordt gevoerd door één van de andere voorzitters.
- Voorafgaand aan het gesprek wordt aan het commissielid gevraagd twee medecommissieleden op te geven met wie vaak is samengewerkt. De voorzitter vraagt deze medecommissieleden input te geven. De algemeen secretaris vraagt de secretarissen en procesondersteuners van de regio input te leveren.
- De voorzitter maakt een kort conceptverslag van het gesprek, voorziet het van advies over voordracht tot herbenoeming en legt dit voor aan het commissielid, dat daarop zo nodig commentaar kan geven. De voorzitter stuurt het gespreksverslag met eventuele reactie toe aan de coördinerend voorzitter en de algemeen secretaris. Dit verslag wordt vernietigd zodra het commissielid stopt met zijn werk voor de RTE.
- Indien de voorzitter en commissielid met elkaar van mening verschillen over de herbenoeming kan het commissielid eerst bezwaar aantekenen bij de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter en uiteindelijk bij de minister.
- Het evaluatiegesprek ten behoeve van de herbenoeming van de coördinerend voorzitter vindt in beginsel plaats met de plaatsvervangend coördinerend voorzitter en vice versa.
- De voordracht tot herbenoeming van de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter is een besluit van het voorzittersoverleg.
Artikel 12 Exitgesprek
- Bij vertrek van een commissielid vindt een informeel exitgesprek plaats tussen de voorzitter van de regio en het commissielid. Dit heeft als doel om leerpunten te verzamelen voor de RTE en als afronding voor het commissielid.
- Het exitgesprek met de voorzitter van de regio wordt gevoerd door één van de andere voorzitters van de regio.
- Er wordt géén input van anderen gevraagd.
- De voorzitter maakt (in overleg met het commissielid) een kort verslag van de bijzondere leerpunten die uit het gesprek naar voren komen en stuurt dit vertrouwelijk toe aan coördinerend voorzitter, algemeen secretaris en het commissielid. Dit verslag wordt vernietigd binnen 4 weken nadat het commissielid is gestopt met zijn werk voor de RTE.
Artikel 13 Inwerkperiode: mentor
- Een nieuw commissielid krijgt voor de duur van vier maanden een ander commissielid als mentor, van dezelfde discipline en bij voorkeur uit dezelfde regio. De mentor en het nieuwe commissielid hebben een gesprek aan het begin en aan het eind van de inwerkperiode. Zij plegen, waar nodig, tussentijds overleg.
- De mentor blijft gedurende het eerste jaar van het nieuwe commissielid het eerste aanspreekpunt bij dilemma’s, vragen, fricties etc. In tweede instantie is dat de voorzitter van de regio en in derde en laatste instantie de algemeen secretaris en/of de coördinerend voorzitter.
Artikel 14 Inwerken
- Het inwerken van een commissielid start na de benoeming.
- In het kader van het inwerken woont het nieuwe commissielid op de eerste plaats twee commissievergaderingen bij als toehoorder. Dit kan ook een commissievergadering van een andere regio zijn. Als toehoorder neemt het nieuwe commissielid geen deel aan de besluitvorming over een melding. Na afloop van de commissievergadering worden de bevindingen, vragen en opmerkingen van het nieuwe commissielid besproken. Daarnaast behandelt het nieuwe commissielid samen met, en onder begeleiding van, de mentor digitaal twintig niet vragen oproepende meldingen.
- Het nieuwe commissielid krijgt, indien plaats beschikbaar, de gelegenheid om als toehoorder deel te nemen aan de SCEN-opleiding (van twee dagen); dit geldt niet voor een arts-lid dat ook SCEN-arts is.
Hoofdstuk 3 Procedure behandeling van de melding en het oordeel
Artikel 15 Registratie en selecteren
- De RTE zorgt voor de registratie van de gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding.
- Na registratie van de melding selecteert de secretaris aan de hand van een (door de RTE vastgestelde) checklist de melding als een ‘niet vragen oproepende melding’ (NVO) of een ‘vragen oproepende melding’ (VO).
- Voor het selectieproces en het selectiebeleid wordt verwezen naar de EuthanasieCode.
Artikel 16 Verdeling en deelname commissievergaderingen
- Uitgangspunt is dat wekelijks aan ieder commissielid digitaal een aantal NVO’s ter beoordeling wordt voorgelegd.
- Ieder commissielid neemt jaarlijks in beginsel deel aan drie à vier commissievergaderingen waarin VO’s worden beoordeeld.
Artikel 17 Vergadering (VO)
- De leden van de commissie die een fysieke vergadering hebben, krijgen in beginsel minimaal zeven werkdagen vóór de commissievergadering digitaal toegang tot de VO-meldingen met de daarbij behorende stukken.
- Iedere regio heeft in beginsel één keer per maand een commissievergadering.
- De secretaris stelt na de vergadering het conceptoordeel op.
- Alleen leden of medewerkers van het secretariaat kunnen als toehoorder tot een vergadering toegelaten worden. Externe toehoorders worden niet toegelaten tot de commissievergadering. Als externe toehoorders worden niet beschouwd toehoorders die meekomen op verzoek van een op een vergadering uitgenodigde arts.
Artikel 18 Toetsing
- Voor het toetsingsproces en het toetsingsbeleid wordt verwezen naar de EuthanasieCode.
- Indien de commissie ook de consulent of derden als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wtl om aanvullende informatie vraagt dan wel uitnodigt voor een mondelinge toelichting, wordt de arts daarvan schriftelijk op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn bij het geven van de toelichting. De arts ontvangt een kopie van het verslag.
- Indien bij de melding een onvolledig verslag van de consulent wordt aangetroffen, waardoor de beoordeling van de melding niet mogelijk is, vraagt de commissie de arts schriftelijk of mondeling om aanvullende informatie.
- Indien op het eerste gezicht niet is voldaan aan het vereiste van een onafhankelijke consultatie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van de Wtl, vraagt de commissie aanvullende informatie van de arts en/of consulent om na te gaan of sprake is van een onafhankelijke oordeelsvorming door de consulent.
- Van een mondelinge toelichting van een arts en/of consulent maakt de commissie een zakelijk weergegeven conceptverslag en legt dit ter verificatie voor aan de arts en/of consulent. Indien het commentaar van de arts en/of consulent op het verslag niet overeenkomt met hetgeen volgens de commissie is besproken, wordt het commentaar van de arts en/of consulent aan het verslag gehecht.
- De mondelinge toelichting vindt in persoon plaats of via digitale videoverbinding. Een mondelinge toelichting vindt niet telefonisch plaats.
- Bij de uitnodiging aan de arts voor de mondelinge toelichting geeft de uitnodigende commissie zo concreet mogelijk aan welke onderwerpen zij met de arts wil bespreken, zodat de arts zich voldoende op het gesprek met de commissie kan voorbereiden.
Artikel 19 Niet voldaan aan één van de zorgvuldigheidseisen
- Het oordeel van de commissie luidt ‘voldaan aan de zorgvuldigheidseisen of ‘niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen’. Indien de commissie concludeert dat aan één van de zorgvuldigheidseisen niet is voldaan, luidt het oordeel ‘niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen’.
- Indien de commissie overweegt te oordelen dat de arts niet overeenkomstig één van de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld:
a. nodigt zij de arts altijd uit voor een gesprek met de commissie. Artikel 18 lid 5, 6 en 7 zijn van toepassing;
b. legt de commissie het conceptoordeel met de bijbehorende dossierstukken voor advies digitaal voor aan alle andere RTE-leden en secretarissen. De (adviesvragende) commissie van drie (voorzitter, arts en ethicus) geeft het uiteindelijke oordeel. - Indien de commissie tot het oordeel komt dat de arts niet heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, zendt de RTE een afschrift van het oordeel met bijbehorend dossier aan het College van procureurs-generaal en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het verslag van het gesprek met de arts of consulent maakt deel uit van het dossier.
Artikel 20 Afhandeling
- Het oordeel wordt digitaal ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie.
- De RTE legt het format voor het oordeel voor wat betreft vorm en inrichting vast.
- De arts ontvangt per beveiligde e-mail of aangetekende post een afschrift van het oordeel, het originele exemplaar blijft achter in het dossier.
- Wanneer een consulent verzoekt om een afschrift van een oordeel wordt deze verwezen naar de arts die het oordeel heeft ontvangen.
Hoofdstuk 4 Gremia binnen de RTE
Artikel 21 Voorzittersoverleg (VZO) en regio-overleggen
- Het VZO functioneert als het inhoudelijk beleidsbepalende en besluitvormende orgaan van de RTE. Uitgangspunt is dat alle voorzitters hierbij aanwezig zijn.
- Het arts-lid en het ethicus-lid van het DB zijn de vertegenwoordigers van hun discipline in het VZO. Bij verhindering kunnen zij zich in overleg met de coördinerend voorzitter laten vervangen.
- Viermaal per jaar wordt een VZO gepland. Van een gepland VZO is af te zien indien een gebrek aan agendapunten daar aanleiding toe geeft.
- Het secretariaat stuurt de agenda met de daarbij behorende stukken tenminste twee weken voor het desbetreffende VZO aan alle leden.
- De vijf regionale commissies bespreken ter voorbereiding van het VZO de desbetreffende stukken en voorstellen in een door de secretaris te entameren regio-overleg waarvoor alle leden en secretarissen van een regio (digitaal) zijn uitgenodigd.
- De voorzitters van de regio’s rapporteren in het VZO over hetgeen uit de regiovergaderingen naar voren komt.
- Het secretariaat stuurt het conceptverslag van het VZO binnen twee weken na het VZO aan alle leden..
- Indien vanwege een spoedeisend belang een gepland VZO niet kan worden afgewacht, kunnen de voorzitters digitaal geraadpleegd worden. Het vierde lid is niet van toepassing.
Artikel 22 Coördinerend voorzitter
De coördinerend voorzitter (CV) van de RTE, en bij verhindering de plaatsvervangend coördinerend voorzitter van de RTE, treedt op in de media en bevordert zoveel mogelijk de eenheid en consistentie in de beoordeling van meldingen door de commissies. Om een goede aansluiting te houden met de toetsingspraktijk is de coördinerend voorzitter RTE tevens voorzitter van een van de regionale commissies.
Het voorzittersoverleg mandateert in ieder geval de bevoegdheid aan de coördinerend voorzitter om in de volgende situaties te besluiten:
- Vernietiging van archiefstukken conform de Archiefwet
- Aangelegenheden die in relatie tot directie ESTT de bedrijfsvoering betreffen
Artikel 23 Dagelijks Bestuur
- Leden van het dagelijks bestuur (DB) zijn de CV, de pCV, een arts-lid en een ethicus-lid. Het arts-lid en ethicus-lid worden benoemd door het VZO. De algemeen secretaris of een vervanger staat het DB in al zijn werkzaamheden bij.
- Het DB vergadert in elk geval vier keer per jaar, voorafgaand aan het VZO.
- Het DB bereidt de agenda van het VZO voor en zorgt voor het ten uitvoer leggen van besluiten en verzoeken van het VZO.
- Het VZO kan het DB vragen om standaard bepaalde zaken namens het VZO ter hand te nemen.
- Het DB dient tevens als sparringpartner voor de coördinerend voorzitter.
- In spoedeisende gevallen, indien er ook geen tijd is om een digitale raadpleging van het VZO af te wachten, kan het DB de nodige besluiten nemen. Het VZO wordt zo snel mogelijk geïnformeerd.
Artikel 24 Discipline-overleggen (artsen en ethici)
Twee keer per jaar vindt een artsen- respectievelijk ethicioverleg plaats. Uitgangspunt is dat alle artsen en ethici bij het overleg van hun discipline aanwezig zijn. De coördinerend voorzitter en algemeen secretaris zijn uitgenodigd om het overleg als toehoorder geheel of gedeeltelijk bij te wonen.
Artikel 25 Kennisdagen
Om inhoud te geven aan het streven naar harmonisatie en deskundigheidsbevordering organiseert de RTE halfjaarlijks een plenaire kennisdag voor commissieleden. Dit is een themabijeenkomst over een of meer complex(e) en/of actue(e)l(e )onderwerp(en) met betrekking tot de toetsing van meldingen van euthanasie. Daarbij worden regelmatig ook externe deskundigen uitgenodigd.
Artikel 26 Reflectiekamer
Er is een interne reflectiekamer. De doelen van de reflectiekamer zijn het adviseren van het voorzittersoverleg (VZO) ten behoeve van besluitvorming, het bevorderen van de onderlinge afstemming en consistentie van oordelen (harmonisatie en rechtseenheid), het nadenken over en formuleren van antwoorden op ingewikkelde vragen (denktank) en kwaliteitsborging. De Reflectiekamer heeft een reglement dat is geaccordeerd door het voorzittersoverleg.
Artikel 27 Plenaire (digitale) discussieruimte
Een melding wordt in elk geval in de discussieruimte geplaatst:
- bij een voorgenomen oordeel dat de arts niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.
- wanneer de commissie twijfelt of niet unaniem is in haar besluit
- bij een afwijking van de EuthanasieCode of eerdere lijn in oordelen
Verder kan het VZO besluiten in welke gevallen een melding in de discussieruimte wordt geplaatst en kan een commissie zelf besluiten om een melding in de discussieruimte te plaatsen. Alle leden worden geacht regelmatig een bijdrage te leveren in de discussieruimte.
Hoofdstuk 5 Voorlichting en kwaliteitsverbetering
Artikel 4, tweede lid, onder b, van het Besluit bepaalt dat de coördinerend voorzitter, na overleg met alle voorzitters, zorgdraagt voor richtlijnen met betrekking tot voorlichtingsactiviteiten. Op verzoek verleent de RTE medewerking aan congressen en symposia of aan de publicatie van artikelen in (medische, juridische en ethische) tijdschriften en literatuur.
Een belangrijke vorm van voorlichting vindt plaats door de publicatie van het jaarverslag, waarin de RTE inzicht geeft in haar werkzaamheden en oordeelsvorming, door een toelichting op de toetsingspraktijk in de Euthanasiecode en door de informatie op de website www.toetsingscommissieseuthanasie.nl. Op deze site zijn ook oordelen van de RTE gepubliceerd. Deze oordelen zijn niet tot individuele personen herleidbaar.
Artikel 28 EuthanasieCode
Om artsen en andere betrokkenen een goed en actueel beeld te kunnen bieden van de interpretatie van de zorgvuldigheidseisen door de RTE, heeft de RTE de EuthanasieCode uitgebracht. De EuthanasieCode geeft het toetsingsbeleid van de RTE weer op basis van de beoordeelde casuïstiek.
Artikel 29 Verzoeken om voorlichting/bezoeken aan SCEN-intervisiegroepen
Indien een commissie een verzoek uit de regio krijgt om medewerking te verlenen aan enige vorm van voorlichting in de regio of het bezoeken van de SCEN-intervisiegroepen van een regio, wordt dit verzoek door de secretaris voorgelegd aan de regiovoorzitter. De regiovoorzitter willigt het verzoek in beginsel in - zo nodig na overleg met de overige commissieleden.
Artikel 30 SCEN-opleiding
De RTE verleent medewerking aan de opleiding tot consulent, die wordt verzorgd door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) in het zogenoemde Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland (SCEN) programma.
Artikel 31 Publicatie oordelen
In het kader van inzicht geven in het toetsingsbeleid van de RTE worden in de volgende gevallen de oordelen anoniem gepubliceerd:
- Oordelen waarin is geoordeeld dat de arts niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen
- Oordelen die na commissievergadering zijn uitgeschreven
- Een selectie van samenvattingen van oordelen die niet vragen oproepend waren
Van publicatie kan in elk geval worden afgezien wegens herleidbaarheid tot een persoon.
Hoofdstuk 6 Gedragscode voor externe communicatie
De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de RTE mag niet ter discussie worden gesteld. Bij een voornemen van een commissielid om deel te nemen aan een commissie, werk- of adviesgroep (nevenwerkzaamheden) of als het gaat om een publicatie, verzoek voor een interview, reactie in de krant, lezing/voordracht etc. op het terrein van euthanasie dient de schijn van belangenverstrengeling of vooringenomenheid voorkomen te worden. Er behoort bij de buitenwacht geen twijfel te ontstaan of de RTE wel zuiver en objectief oordeelt. Van belang is dat alle commissieleden zich hiervan voortdurend bewust zijn en hierop alert zijn.
Artikel 32 Pers
- Representatie of het te woord staan van de pers bij aangelegenheden die de RTE betreffen - waaronder de publicatie van het jaarverslag - is in beginsel voorbehouden aan de coördinerend voorzitter.
- Indien een commissielid in de publiciteit treedt - in de (social) media of door publicatie - op het terrein van de euthanasie wordt altijd eerst voorafgaand aan de uiting contact opgenomen met de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter zodat er afspraken gemaakt kunnen worden.
- Een commissielid onthoudt zich van uitlatingen in de publiciteit die strijdig zijn met de beleidslijnen van de RTE.
Artikel 33 Overige activiteiten
Over deelname aan activiteiten, die een raakvlak hebben met euthanasie, dient vooraf met de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter overlegd te worden om te bezien of die nevenwerkzaamheden verenigbaar zijn met het lidmaatschap van een RTE. Bij de beoordeling wordt gekeken of er zwaarwegende gronden zijn die het functioneren als commissielid in de weg staan. Daarnaast dient iedere schijn van belangenverstrengeling voorkomen te worden en mag redelijkerwijs geen twijfel ontstaan over de objectiviteit van de beoordeling door het betreffende RTE commissielid.
Artikel 34 Vertrouwelijke informatie
Gegevens over door de RTE behandelde casuïstiek en over interne communicatie of andere RTE-zaken waarvan men uitsluitend als lid van een RTE kennis heeft kunnen nemen zijn vertrouwelijk, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Gebruik daarvan in uitingen naar buiten toe (inclusief wetenschappelijke publicaties), ook als geen sprake is van herleidbaarheid naar individuele personen, vindt alleen plaats op basis van voorafgaande afspraken met de (plaatsvervangend) coördinerend voorzitter. Dat geldt ook voor uitingen na beëindiging van het lidmaatschap van een RTE. Verwezen wordt naar artikel 14 van de Wtl.
Hoofdstuk 7 Wraking en Klacht
Artikel 35 Wraking
- Uit artikel 15 van de Wtl volgt dat een lid van de commissie kan worden gewraakt indien er feiten of omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van zijn oordeel in twijfel zou kunnen worden getrokken.
- Een wrakingsverzoek dient in de Nederlandse taal opgesteld te zijn en binnen een week na bekend worden van de reden tot wraking schriftelijk per fysieke post of digitaal door de RTE te zijn ontvangen.
- Indien een commissielid wordt gewraakt, beoordeelt de coördinerend voorzitter het wrakingsverzoek binnen vier weken. Als het wrakingsverzoek wordt gehonoreerd, zal de coördinerend voorzitter het lid vervangen door een ander lid.
- Indien de wraking de coördinerend voorzitter betreft of indien deze is verhinderd beslist de plaatsvervangend coördinerend voorzitter.
Artikel 36 Klachten
- Er is een klachtenregeling van kracht.
- De klachtenregeling is openbaar en staat op de website van de RTE (www.euthanasiecommissie.nl).