De arts heeft in deze melding een euthanasie uitgevoerd zonder zelf overtuigd te zijn van de medische grondslag van het lijden van de patiënte. Er was bij de patiënte een ernstige depressie vastgesteld. De arts zag dat zijn patiënte ondraaglijk leed, maar hij vond zelf dat dit niet kwam vanwege een depressie. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat er een medische grondslag (aandoening) moet zijn om euthanasie uit te kunnen voeren. De commissie heeft de arts om een schriftelijke toelichting gevraagd en tweemaal mondeling met de arts gesproken. De arts heeft de commissie niet uit kunnen leggen welke medische aandoening volgens hem dan wel het lijden van de patiënte veroorzaakte. De commissie kwam tot het oordeel dat de arts niet heeft voldaan aan de eerste vier zorgvuldigheidseisen. 

Introductie van de casus

De patiënte was een vrouw van tussen de 90-100 jaar. In het modelverslag dat de commissie van de arts ontving, was opgenomen dat de aandoening die ten grondslag lag aan het euthanasieverzoek van de patiënte een al jaren bestaande 'invaliderende depressie' was.

Sinds het overlijden van haar man ervoer patiënte geen enkele vreugde meer in haar leven. Zij weigerde farmacologische of psychotherapeutische behandeling. Zij bezocht de arts sporadisch, maar benoemde bij elk bezoek haar euthanasiewens. Daarbij refereerde zij aan een notariële akte, waarin haar euthanasiewens was opgenomen. Naar de mening van de arts, aldus het modelverslag, was er ‘geen enkele kans op enig herstel of stabilisatie van haar ziektebeeld’. De patiënte was weg aan het kwijnen en ging steeds verder achteruit.

Uit de stukken bleek dat de arts de patiënte ongeveer 1,5 jaar voor het overlijden heeft laten onderzoeken door een specialist ouderengeneeskunde, die toen tot de conclusie kwam dat patiënte ‘compos mentis’ (bij volle bewustzijn) was en dat er geen sprake was van dementie of mild cognitive impairment (MCI).

In de mondelinge toelichting heeft de arts verteld dat hij enige maanden voor het overlijden contact had met een onafhankelijk SCEN-arts, tevens huisarts, als eerste consulent. Die heeft de arts geadviseerd om de patiënte door een psychiater te laten onderzoeken. Deze consulent was, zo liet de arts tijdens de mondelinge toelichting weten, niet bereid de patiënte te bezoeken vóórdat psychiatrische consultatie had plaatsgevonden.

De arts heeft daarop een onafhankelijk psychiater in consult gevraagd. Deze onderzocht de patiënte meer dan een maand voor het overlijden. De arts raadpleegde vervolgens opnieuw een onafhankelijk SCEN-arts. Deze consulent bezocht de patiënte vijf dagen voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c en d Wtl.

De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de overige zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.