In deze melding was sprake van een patiënt met dementie. De patiënt was zich door zijn ziekte niet altijd bewust van de beperkingen die de dementie met zich meebracht. De commissie oordeelt dat de arts met grote behoedzaamheid te werk is gegaan door naast een consulent ook een onafhankelijk deskundige (specialist ouderengeneeskunde) te raadplegen.
NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar oud, werd vierenhalf jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Door mantelzorg heeft de patiënt tot aan zijn overlijden thuis kunnen wonen.
Het lijden van de patiënt bestond uit toenemende cognitieve problemen. Hij ervoer dat hij de controle over zijn leven verloor. Hobby’s die altijd zeer belangrijk voor hem waren, kon hij niet meer uitvoeren. Later kon hij de weg in zijn eigen huis niet meer vinden of zijn kleding op de goede manier aantrekken. Daardoor had hij bij de dagelijkse verzorging steeds meer hulp nodig. De patiënt, die altijd zeer autonoom en zelfstandig was geweest, wilde zichzelf en zijn naasten een aftakelingsproces besparen. Het was een schrikbeeld voor de patiënt om naar een verpleeghuis te moeten verhuizen en zijn onafhankelijkheid verder te verliezen. Hij had dit proces meegemaakt bij een naaste en wilde dit absoluut niet voor zichzelf. De patiënt was zich op momenten zeer bewust van zijn beperkingen en schaamde zich dan diep.
Omdat de huisarts de situatie te complex vond, verwees zij de patiënt naar EE. Ongeveer vier maanden voor het overlijden, sprak de arts de patiënt voor het eerst. De arts heeft de patiënt in totaal zes keer bezocht.
De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde, voor een beoordeling van de wilsbekwaamheid, de diagnose en behandelopties. De onafhankelijk deskundige beoordeelde de patiënt circa zeven weken voor de uitvoering van de levensbeëindiging. De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënt ongeveer een week voor de uitvoering van de levensbeëindiging.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
In deze melding was sprake van een patiënt met dementie. De arts moet met grote behoedzaamheid om gaan met euthanasieverzoek van patiënten met dementie. De commissie heeft daarom uitgebreid stilgestaan bij de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2, eerste lid, onder a, Wtl) en de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden (artikel 2, eerste lid, onder b, Wtl).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De arts was in deze melding overtuigd dat de patiënt vrijwillig en weloverwogen om euthanasie verzocht. De commissie is van oordeel dat de arts ook tot deze overtuiging heeft kunnen komen. Hieronder legt de commissie waarom zij tot dit oordeel komt.
Het juridisch kader
Bij patiënten met dementie is er aanleiding om met grote behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder aan de eisen inzake het vrijwillig en weloverwogen verzoek en het ondraaglijk lijden. Naarmate het ziekteproces bij patiënten met dementie voortschrijdt, neemt de wilsbekwaamheid van de patiënt af (EuthanasieCode 2026, pagina 30).
De feiten in deze melding
De commissie stelt vast dat de arts overtuigd was dat de patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek. De arts was tot deze overtuiging gekomen nadat zij de patiënt zes keer had gesproken. Uit de stukken blijkt dat de patiënt zijn wil wisselend uitte. Hoewel de patiënt vaak vertelde dat hij dood wilde en dat dit door zijn ziekte kwam, waren er door zijn geheugenstoornissen ook momenten dat hij zich niet bewust was van zijn beperkingen. Hij vertelde dan dat alles goed met hem ging en dat er niets aan de hand was.
Op de momenten dat de patiënt zich bewust was van zijn beperkingen, was zijn euthanasiewens voor de arts duidelijk. Volgens de arts had de patiënt voldoende ziektebesef en ziekte-inzicht en begreep hij wat de dementie met hem deed. Hij realiseerde zich de onomkeerbaarheid van euthanasie. In het eerste gesprek legde de patiënt het woord euthanasie uit als een humane manier om te sterven. Later zei het woord hem minder, maar maakte hij zijn doodswens wel steeds duidelijk aan de arts. Hij was een autonome man die verdere achteruitgang niet wilde meemaken. De arts kwam tot de conclusie dat de patiënt goed begreep dat hij dood wilde en dat dit door euthanasie ook zou gebeuren.
Verder stelt de commissie vast dat de arts een onafhankelijk deskundige, een specialist ouderengeneeskunde, raadpleegde. De onafhankelijk deskundige constateerde dat de patiënt zijn euthanasiewens consistent en bij herhaling aangaf op alle momenten dat hij zich bewust was van zijn ziekte. Hij begreep de ernst van zijn ziekte, waar nog geen genezing voor is. De onafhankelijk deskundige zag een patiënt die zich bij momenten pijnlijk bewust was van zijn aandoening. Zij achtte hem wilsbekwaam ten aanzien van zijn euthanasieverzoek.
Ook constateert de commissie dat de arts een consulent raadpleegde. De consulent twijfelde niet aan de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek. Zij zag geen aanwijzingen voor druk van buitenaf. Zij constateerde dat de patiënt bij herhaling vroeg om euthanasie. Hij kon informatie over zijn ziekte begrijpen en op basis daarvan een keuze maken. De consulent concludeerde dat de patiënt wilsbekwaam was.
Het oordeel van de commissie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht. Hoewel er ook momenten zonder ziekte-inzicht bij de patiënt bestonden, heeft de arts in de stukken gemotiveerd uiteengezet waarom zij overtuigd was van de wilsbekwaamheid ter zake en de commissie kan de redenering van de arts volgen. De commissie betrekt daarbij in haar oordeel dat de arts een onafhankelijk deskundige en een consulent heeft geraadpleegd, die beiden de patiënt wilsbekwaam achtten ten aanzien van zijn euthanasieverzoek.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt.
De arts was in deze melding overtuigd dat het lijden van de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk was. De commissie is van oordeel dat de arts ook tot deze overtuiging heeft kunnen komen. Hieronder legt de commissie waarom zij tot dit oordeel komt.
Het juridisch kader
Vooropgesteld constateert de commissie dat dementie een ziekte is waarvan een patiënt niet kan genezen. De uitzichtloosheid van het lijden hoeft daarom niet te worden besproken.
In veruit de meeste gevallen die tot nu toe aan de commissies zijn gemeld, ging het om patiënten die nog voldoende inzicht in hun ziekte hadden en die nog wilsbekwaam waren ten aanzien van hun euthanasieverzoek. Het lijden van deze patiënten wordt, naast een actuele achteruitgang in cognitieve vermogens en functioneren, veelal medebepaald door de angst voor verdere achteruitgang en de daarmee verbonden negatieve gevolgen voor (in het bijzonder) de autonomie en de waardigheid van de patiënt. Het gaat om de beleving van het steeds verder voortschrijdende verlies van persoonlijkheid, functies en vaardigheden en het besef dat dit proces alleen maar door zal gaan. Dit vooruitzicht kan groot, actueel lijden doen ontstaan (EuthanasieCode 2026, pagina 30).
De feiten in deze melding
De arts voerde uitgebreide gesprekken met de patiënt en zijn echtgenote. Door zijn geheugenstoornissen waren er, zeker in de eerste gesprekken, momenten dat de patiënt zijn frustraties en beperkingen vergat. Desondanks is de arts overtuigd geraakt dat de patiënt ondraaglijk leed. Naarmate de gesprekken vorderden zag de arts de frustratie bij de patiënt over de dingen die niet meer lukten toenemen, waardoor een grote lijdensdruk ontstond. ‘Het verdriet spatte op die momenten van hem af’, aldus de arts. De patiënt kon zich diep schamen voor zijn beperkingen. De arts zag de gevolgen van de ziekte bij de patiënt en constateerde dat zijn schrikbeeld, namelijk een opname in een verpleeghuis en verdere achteruitgang, snel dichterbij kwam.
Ook de onafhankelijk deskundige zag een patiënt met een grote lijdensdruk. De voortdurende confrontatie met zijn beperkingen was voor de patiënt een kwelling. Het lijden was voor de onafhankelijk deskundige zichtbaar en invoelbaar.
De consulent kwam eveneens tot de conclusie dat de patiënt ondraaglijk leed. In haar ogen werd het lijden van de patiënt gevormd door frustratie over zijn geestelijke achteruitgang en de toenemende afhankelijkheid.
Het oordeel van de commissie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht. De commissie oordeelt dat de arts de ondraaglijkheid van het lijden voldoende heeft onderzocht en onderbouwd. De arts heeft uitgebreid gereflecteerd op de vraag of het lijden voor de patiënt ondraaglijk was, ondanks dat de patiënt zich door zijn geheugenstoornissen bij vlagen niet bewust was van zijn beperkingen. De arts had geen twijfels over de ondraaglijkheid van het lijden en de commissie oordeelt dat de arts ook overtuigd kon zijn. De arts heeft uitgebreide gesprekken met de patiënt gevoerd en tijdens deze gesprekken de lijdensdruk van de patiënt waargenomen. De commissie betrekt in haar oordeel dat de consulent en de onafhankelijk deskundige ook van mening waren dat de patiënt ondraaglijk leed.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat het lijden van de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk was
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.