In de EuthanasieCode staat opgenomen dat het niet uitzonderlijk is dat er enige tijd is gelegen tussen het bezoek van de consulent aan de patiënt en de euthanasie. De wet zegt niets over de ‘houdbaarheidsduur’ van een consultatieverslag. In het algemeen is het zo dat het verslag van toepassing blijft zolang de omstandigheden van de patiënt niet wezenlijk veranderen en het ziekteproces verloopt zoals verwacht. Soms zal de consulent de patiënt een tweede keer moeten bezoeken. Soms voldoet een telefonisch contact tussen de arts en de consulent, dan wel tussen de consulent en de patiënt. Precieze normen hiervoor zijn niet te geven. Dit is ter beoordeling van de arts, in het licht van de eerdere bevindingen van de consulent en de ontwikkelingen die zich nadien met betrekking tot de patiënt voordoen.
In de onderhavige casus achtte de consulent een tweede bezoek (na circa vier maanden) aan de patiënte niet noodzakelijk en baseerde hij zich op de informatie die de arts hem gaf. Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval komt de commissie hier tot het oordeel dat de arts grote behoedzaamheid heeft betracht bij deze patiënte met dementie. Door de nauwkeurige verslaglegging van de gesprekken van de arts met de patiënte heeft de commissie kunnen vaststellen dat de arts overtuigd kon zijn van de wilsbekwaamheid van de patiënte en dus van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van haar euthanasieverzoek.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënte, een vrouw van tussen de 60 en 70 jaar, werd na een periode van toenemende klachten circa een jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer gediagnosticeerd.
Het lijden van de patiënte bestond uit het vooruitzicht dat zij haar autonomie zou verliezen en afhankelijk zou worden van anderen. De patiënte was bekend met het ziekteverloop in haar familie en had dit altijd als een schrikbeeld ervaren. Zij was altijd bang geweest dat zij ook met deze ziekte gediagnosticeerd zou worden. De patiënte merkte dat zij de grip op haar leven begon te verliezen. Het lukte haar niet meer om te lezen of programma’s te volgen op de televisie. Daarnaast had zij steeds meer moeite om alledaagse handelingen te verrichten. De patiënte wist dat er enkel verslechtering van haar situatie in het verschiet lag en zij wilde dit niet meemaken.
De patiënte sprak sinds ruim anderhalf jaar voor het overlijden voor het eerst met de arts over euthanasie. Nadien sprak de patiënte nog regelmatig met haar huisarts over haar euthanasiewens. Circa een maand voor het overlijden heeft de patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de euthanasie verzocht.
De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de patiënte ongeveer vier maanden voor de uitvoering van de levensbeëindiging. De consulent concludeerde dat toen nog niet aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan, omdat de patiënte nog geen actueel verzoek had. Een week voor de uitvoering van de levensbeëindiging nam de arts telefonisch contact op met de consulent. De consulent heeft toen kennisgenomen van de toelichting van de arts op de wilsbekwaamheid van de patiënte en het patiëntenjournaal en achtte een nieuw bezoek aan de patiënte niet noodzakelijk. Volgens de consulent was aan de zorgvuldigheidseisen voldaan.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, december 2025.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is hier te vinden.
De commissie heeft in de onderhavige melding stilgestaan bij de zorgvuldigheidseis inzake het vrijwillig en weloverwogen verzoek, artikel 2, eerste lid onder a Wtl.
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Bij patiënten met dementie is er aanleiding om met grote behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder aan de eisen inzake het vrijwillig en weloverwogen verzoek en het ondraaglijk lijden. Over deze laatste zorgvuldigheidseis heeft de commissie in de onderhavige melding echter geen vragen.
De commissie zag zich in deze melding voor de vraag of de arts de gevraagde grote behoedzaamheid heeft betracht. Reden daarvoor is dat de geraadpleegde consulent de patiënte vier maanden voor het overlijden had bezocht. Nadien volgde een week voor het overlijden enkel een telefonisch contact tussen de arts en de consulent. De consulent heeft de patiënt niet meer gezien.
De commissie komt tot het oordeel dat de arts de overtuiging kon krijgen dat de patiënte een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie had en dat de arts daarbij met grote behoedzaamheid heeft gehandeld. Doorslaggevend daarvoor dat de arts zowel in het modelverslag als in het bijgevoegde patiëntenjournaal nauwkeurig verslag heeft gedaan van de vijf gesprekken die zij in de vier maanden na het SCEN-consult met de patiënte heeft gevoerd en daarbij uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de patiënte in elk van die gesprekken een vrijwillig en weloverwogen verzoek uitte. Uit de verslagen kan de commissie afleiden dat de patiënte herhaaldelijk en op consequente wijze om euthanasie heeft verzocht en dat er geen twijfels waren omtrent de wilsbekwaamheid van de patiënte. Deze verslagen zijn door de consulent ingezien na toelichting van de arts, waardoor deze tot de conclusie kwam dat de patiënte nog steeds wilsbekwaam was.
De commissie wil benadrukken dat het op de weg van de consulent had gelegen om, gelet op de mogelijkheid dat de wilsbekwaamheid van een patiënt met dit ziektebeeld in de loop van vier maanden kan afnemen, de patiënte nogmaals te bezoeken. Het is echter aan de nauwkeurige verslaglegging van de gesprekken van de arts met de patiënte te danken dat de commissie heeft kunnen vaststellen dat de arts overtuigd kon zijn van de wilsbekwaamheid van de patiënte en dus van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van haar euthanasieverzoek.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts kon met de patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.