Na inspuiten van de coma-inductor verstreken er 34 minuten totdat de arts de spierverslapper toediende. De arts verklaarde dat de patiënte bleef doorademen waardoor de arts in paniek raakte en ter advies heeft gebeld met de consulent, een anesthesist en de GGD-arts. De GGD-arts adviseerde de arts dat de spierverslapper kon worden ingespoten mits de patiënte zich in een comateuze toestand bevond. De arts was ervan overtuigd dat de patiënte in diepe coma bevond nadat ze meermaals een comacheck had uitgevoerd. Omdat er meer dan 30 minuten waren verstreken na het toedienen van de coma-inductor voordat de spierverslapper werd toegediend en  de arts de procedure niet opnieuw uitgevoerd heeft, is de commissie tot het oordeel gekomen dat de levensbeëindiging op verzoek niet medisch zorgvuldig is uitgevoerd.

Introductie van de casus

De patiënte, een vrouw tussen de 70 en 80 jaar, werd tien jaar voor het overlijden een neuro-endocrine tumor vastgesteld met uitzaaiingen in de lymfeklieren en lever. Op genezing gerichte behandeling was niet mogelijk. De patiënte zag stellig af van levensverlengende chemotherapie.

De patiënte kampte met buikpijn, toenemende diarree, incontinentie van urine, continue misselijkheid en benauwdheid door een opgezette buik. Zij had geen eetlust en was ernstig vermoeid. De patiënte kon niet meer genieten van haar tuin of een klein wandelingetje. Het was voor haar ondraaglijk om de regie kwijt te raken, om langdurig ziek te zijn en afhankelijk te worden van anderen. De patiënte, een, volgens het verslag van de arts intelligente en fiere vrouw, leed onder de lichamelijke aftakeling en de wetenschap dat deze alleen maar erger zou worden.

De arts kende de patiënte al jaren. De patiënte had eerder aangegeven dat zij euthanasie wenste als zij in een situatie terecht zou komen die voor haar onwaardig was. Anderhalve maand voor het overlijden heeft de patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de euthanasie verzocht. De patiënte heeft haar euthanasieverzoek meerdere malen herhaald.

De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de patiënte ongeveer een maand voor haar overlijden en kwam in zijn verslag tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

Uit het modelverslag bleek dat de uitvoering van de euthanasie gecompliceerd was verlopen. Na de toediening van de coma-inductor om 15:16 uur via het aangebrachte infuus, heeft de arts 34 minuten gewacht voordat zij het spierrelaxans toediende. Het spierrelaxans werd om 15:50 uur in hetzelfde infuus toegediend waarna de patiënte na tien minuten overleed. De gehele uitvoering heeft 44 minuten geduurd.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseis f bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.

De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de overige zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.