De patiënt had de ziekte van Alzheimer en was niet meer wilsbekwaam tijdens de uitvoering van de euthanasie. De commissie heeft stilgestaan bij de vraag of de omstandigheden waarin de patiënt verkeerde overeenkwamen met wat hij had vastgelegd in zijn schriftelijke wilsverklaring. De commissie oordeelt dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht en dat de arts kon concluderen dat uitvoering van de euthanasie in de lijn lag met de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënt, een man tussen de 60 en 70 jaar, werd vijf jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Door middel van mantelzorg heeft de patiënt tot aan zijn overlijden thuis kunnen wonen. De patiënt hechtte zeer aan zijn zelfstandig functioneren en wilde een aftakelingsproces zichzelf en zijn naasten besparen omdat hij dit had meegemaakt bij zijn moeder en als afschuwelijk had ervaren. Circa drie maanden voor het overlijden was de patiënt volledig wilsonbekwaam geworden.

De patiënt was al geruime tijd niet meer in staat om zijn dag zinvol te vullen. De laatste maanden voor zijn overlijden verslechterde de toestand van de patiënt aanzienlijk. Hij herkende zijn huis niet meer, waardoor hij steeds aangaf naar huis te willen. Ook herkende hij zijn naasten niet meer. Hij zat en liep gebogen en er was sprake van constante bewegingsdrag. Hij leed aan de voortdurende onrust en beleefde het leven niet meer bewust, was soms angstig en agressief. In zijn onrust plukte hij onder meer aan het tapijt, alsof hij ‘zoekende’ was. Vaak zat hij in een klein hoekje van de kamer op de grond. Daarnaast viel de patiënt regelmatig, was erg afgevallen, was incontinent en voor zijn dagelijkse verzorging volledig afhankelijk van anderen.

Vier jaar voor zijn overlijden liet de patiënt een levenstestament opmaken. Een jaar later stelde hij een schriftelijke wilsverklaring op. Ten tijde van het opstellen van zowel het levenstestament als de schriftelijke wilsverklaring was er geen twijfel over de wilsbekwaamheid van de patiënt. De patiënt sprak regelmatig met zijn huisarts over euthanasie. Omdat de huisarts de situatie te complex vond, verwees hij de patiënt naar het Expertisecentrum Euthanasie (hierna: EE). In de vijf jaar voor het overlijden, bezocht de arts de patiënt acht keer. Tijdens de eerste vijf gesprekken was de patiënt nog wilsbekwaam, maar uitte hij nog geen expliciet verzoek tot uitvoering bij de arts. Ruim een jaar voor het overlijden stopte het traject bij EE in afwachting van een actueel verzoek van de patiënt tot uitvoering van de euthanasie. Ongeveer drie maanden voor het overlijden verzocht een naaste van de patiënt om het euthanasieverzoek van de patiënt in te willigen, omdat de patiënt uitspraken had gedaan in de richting van een actuele euthanasiewens. De arts heeft de patiënt toen nog drie keer bezocht en telkens geprobeerd om op zinvolle wijze met de patiënt over zijn euthanasieverzoek te spreken, maar dat bleek niet meer mogelijk. De arts was ervan overtuigd geraakt dat hij kon overgaan tot uitvoering van levensbeëindiging op basis van de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt.

De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige beoordeelde de patiënt circa vijf weken voor de uitvoering van de levensbeëindiging. De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënt ongeveer vier weken voor de uitvoering van de levensbeëindiging.

Vanwege het onrustige en onvoorspelbare gedrag van de patiënt, kreeg de patiënt premedicatie voorafgaand aan de uitvoering. De arts heeft vervolgens de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl. Ook is voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 2, tweede lid, Wtl.