Bij deze patiënte was sprake van een combinatie van lichamelijke en psychische aandoeningen. Wanneer een psychische stoornis gedeeltelijk de grondslag vormt voor een euthanasieverzoek moet de arts met grote behoedzaamheid omgaan met het euthanasieverzoek. De commissie komt in deze melding tot het oordeel dat de arts met grote behoedzaamheid heeft gehandeld en dat aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënte, een vrouw tussen de 50 en 60 jaar, was sprake van een combinatie van lichamelijke en psychische aandoeningen. Zij had onder meer artrose, fibromyalgie en COPD. In het verleden was zij ook behandeld voor non-Hodgkin. Daarnaast leed zij aan PTSS en een reactieve depressie. Ook was een borderline persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. De patiënte werd uitgebreid behandeld, zowel voor haar lichamelijke als haar psychische aandoeningen. Geen van de behandelingen gaf een blijvend resultaat.

Het lijden van de patiënte bestond uit pijnklachten in haar hele lichaam. Daarnaast was zij geregeld kortademig. De patiënte had ook vaak negatieve gedachtes over zichzelf. Het lukte haar niet om contacten te onderhouden, ook niet met degenen die haar het dichtstbij stonden. Ook lukte het haar niet meer om dingen te ondernemen. De patiënte voelde zich eenzaam en benoemde regelmatig dat zij moegestreden was. Zij wist dat er geen verbetering van haar situatie mogelijk was en dat enkel verslechtering in het verschiet lag. Het voelde voor de patiënte alsof zij alleen maar aan het overleven was. Zij verlangde naar rust en wilde graag overlijden middels euthanasie. 

Ruim een jaar voor het overlijden sprake de patiënte voor het eerste met de arts over euthanasie. Sindsdien herhaalde zij haar verzoek regelmatig tegenover de arts.

De arts raadpleegde de onafhankelijk psychiater voor een second opinion. De onafhankelijk psychiater onderzocht de patiënte circa anderhalve maand voor de uitvoering van de levensbeëindiging.

Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht de patiënte circa drieënhalve week voor de uitvoering van de levensbeëindiging. Volgens de consulent was aan de zorgvuldigheidseisen van artikel 2 Wtl, a tot en met d, voldaan.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.