De arts had een echtpaar onder behandeling dat tegelijkertijd wilde overlijden door euthanasie. Om dit praktisch mogelijk te maken, vroeg de arts aan een AIOS (arts in opleiding tot specialist) om de euthanatica aan deze patiënte toe te dienen terwijl hij op hetzelfde moment de euthanatica aan de andere patiënt toediende. De commissie oordeelt dat de arts hierdoor niet medisch zorgvuldig heeft gehandeld. Hij had namelijk zelf de euthanatica moeten toedienen en dit niet mogen uitbesteden aan een collega-arts (“verlengde arm”). Ook legt de commissie uit waarom zij de arts ziet als de uitvoerend arts, ondanks dat hij niet de middelen heeft toegediend waardoor de patiënte kwam te overlijden.

Introductie van de casus

De patiënte, een vrouw tussen de 60 en 70 jaar, werd ongeveer een maand voor het overlijden gediagnosticeerd met in de hersenen uitgezaaide longkanker met progressieve halfzijdige verlamming en woordvindstoornissen.

Bij de patiënte was sprake van een snelle ziekteprogressie en zij verslechterde met de dag. Er was sprake van progressieve hoofdpijn en zij ondervond spraakstoornissen. Haar communicatiemogelijkheden werden ernstig bedreigd. Ook kampte zij met krachtsverlies en uitvalsverschijnselen. De patiënte werd getroffen door epileptische insulten. Vanwege de snelle progressie raakte zij al snel volledig afhankelijk voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen. De verwachting was dat zij nog slechts enkele dagen tot weken zou leven. Deze verwachting zou aanzienlijk worden verkort indien er een hersenbloeding zou optreden ten gevolge van de hersenmetastasen.

De patiënte sprak ongeveer drie weken voor het overlijden voor het eerst met de arts over haar euthanasiewens. Op dat moment verzocht zij ook direct om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Zij herhaalde dit verzoek uitdrukkelijk tijdens de gesprekken in de dagen die volgden, op verschillende momenten en in verschillende samenstellingen van aanwezigen.

De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de patiënte ongeveer een week voor het overlijden.

De patiënte en haar echtgenoot hadden beiden de arts verzocht om levensbeëindiging en hadden een uitdrukkelijke wens om op hetzelfde moment te overlijden. De arts vroeg daarom aan een AIOS in de huisartsenpraktijk om de handelingen te verrichten voor de patiënte, terwijl de arts zelf de levensbeëindiging zou uitvoeren bij haar echtgenoot. De AIOS heeft bij de patiënte de middelen toegediend in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021. De levensbeëindiging op verzoek is gemeld door de huisarts van de patiënte.

Overwegingen van de commissie

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseis bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, Wtl.

De arts heeft wel gehandeld overeenkomstig de overige zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.