Bij de patiënt was sprake van dementie wat er toe leidde dat hij uiteindelijk niet meer in staat was om zelfstandig te functioneren. De patiënt had daarbij progressieve afasie waardoor hij moeite had met communiceren, maar met behulp van zijn naasten en gemaakte video-opnames waarin hij zijn euthanasiewens duidelijk uitte was het voor de arts duidelijk dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts werd hierin gesterkt door een onafhankelijk deskundige specialist ouderengeneeskunde en een onafhankelijk SCEN-arts. De commissie is van oordeel dat de arts op zorgvuldige wijze heeft gehandeld door de patiënt meermaals te spreken en zijn oordeel mede te baseren op meerdere videopnames en ook de visie van naasten en andere betrokken zorgverleners.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënt, een man van tussen de 70-80 jaar oud, werd ruim twee jaar voor het overlijden fronto-temporale dementie met progressieve afasie vastgesteld. Tevens was de patiënt al ruim 20 jaar bekend met een stoornis in het autistisch spectrum, syndroom van Asperger.

De patiënt was altijd een zeer actieve en intelligente man geweest. Door zijn dementie was de patiënt uiteindelijk niet meer in staat om zelfstandig te functioneren in zijn dagelijkse leven. Het lijden van de patiënt bestond uit het verlies van kwaliteit van zijn leven. Hij was zich zeer bewust van zijn afnemende geheugen doordat hij anderen niet meer begreep en hij met veel tegenzin steeds meer uit handen moest geven. Hij kon niet meer zijn eigen administratie regelen en werd in toenemende mate zorg-afhankelijk. Dit paste totaal niet bij de zeer autonome man die hij altijd was. Door zijn afasie was een gesprek voeren met de patiënt lastig. Antwoord geven op een vraag lukte wel, maar daarna bleef de patiënt doorpraten over allerlei onderwerpen. De patiënt reageerde vaak zichtbaar verdrietig en ook boos op het feit dat hij de controle over zijn leven verloor.

De patiënt gaf meermaals in gesprekken aan dat hij niet meer wilde leven zodra hij niet meer voor zichzelf zou kunnen zorgen. Ongeveer vier maanden voor het overlijden heeft er een verhuizing plaatsgevonden via een rechterlijke machtiging naar een psycho-geriatrisch verpleeghuis. De uithuisplaatsing was noodzakelijk omdat de patiënt niet meer zelfstandig kon functioneren ondanks de liefdevolle zorg van zijn naasten.

Sinds de diagnose dementie sprak de patiënt regelmatig met de huisarts over euthanasie. De huisarts verwees in verband met de complexiteit van de casus de patiënt door naar het Expertisecentrum Euthanasie (EE). Gedurende een jaar bezocht de arts de patiënt zes keer. Tijdens deze gesprekken was de patiënt wilsbekwaam. Gedurende de eerste vier gesprekken was er nog geen sprake van een actueel euthanasieverzoek. Acht maanden voor het overlijden werd om die reden het dossier van de patiënt bij EE gesloten. Na de uithuisplaatsing veranderde zijn situatie en werd er door de naasten van de patiënt weer contact gezocht met EE. Ongeveer vier maanden voor het overlijden verzocht de patiënt de arts om het proces naar de daadwerkelijke uitvoering van de levenseindiging op verzoek in gang te zetten.

De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige bezocht de patiënt negen maanden voor het overlijden. Er was op dat moment nog geen sprake van een actueel euthanasieverzoek.

De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de patiënt drie weken voor het overlijden.

De levensbeëindiging op verzoek heeft de arts uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.