De commissie is in het oordeel (onder meer) nader ingegaan op de vraag of de arts voldoende onafhankelijk was ten opzichte van de psychiater die hij heeft geraadpleegd. De arts was namelijk vijf jaar voor de uitvoering van de euthanasie in opleiding op de afdeling waar de psychiater werkzaam is. De commissie komt tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een organisatorische of hiërarchische relatie tussen beiden en daarom levert dit geen probleem op wat betreft de onafhankelijkheid. 

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 50-60 jaar, was sprake van een therapieresistente schizo-affectieve stoornis met depressieve en psychotische symptomen. Patiënt had een lange voorgeschiedenis met verschillende opnames in gedwongen kader. De laatste tien jaar tot zijn overlijden is patiënt opgenomen geweest op de afdeling langdurige intensieve zorg binnen een beveiligde kliniek.

Patiënt is zijn hele volwassen leven intensief en uitgebreid behandeld, zowel medicamenteus als psychotherapeutisch. Alle behandelingen hadden echter geen of slechts een beperkt effect.

Het lijden van patiënt bestond uit zijn dagelijkse depressieve en psychotische symptomen en agressie. Deze symptomen uitten zich in gevoelens van angst, hopeloosheid en verlamming. Daarnaast leed patiënt zeer onder zijn agressieve gedrag, hij vond het vreselijk dat dit telkens weer gebeurde. Patiënt was zijn hele volwassen leven opgenomen geweest en bracht zijn dagen door met in bed liggen, op de bank zitten roken, eten en vragen om roken en eten. Patiënt ervaarde een intense lijdensdruk die constant aanwezig was.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een second opinion. De onafhankelijk psychiater onderzocht patiënt omstreeks twee en een halve maand voor de uitvoering van de levensbeëindiging. De onafhankelijk psychiater concludeerde dat patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek, dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek, dat er geen reële behandelmogelijkheden meer waren en het lijden van patiënt daarmee uitzichtloos was en dat er geen redelijke andere oplossing was voor de situatie waarin patiënt zich bevond.

Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte negen dagen voor de uitvoering van de levensbeëindiging en kwam in haar verslag tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.