De patiënt leed uitzichtloos en ondraaglijk als gevolg van een psychische aandoening. De geraadpleegde onafhankelijk psychiater zag nog behandelopties voor de patiënt. De arts gaat daar, na overleg met de behandelend psychiater, gemotiveerd aan voorbij en wordt daarin ook gesteund door de SCEN-arts.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 30-40 jaar, was sprake van een autismespectrumstoornis en ADD. Ook was bij hem sprake van dysthymie en doodsgedachten sinds bijna twintig jaar voor het overlijden. Patiënt kampte sinds achttien jaar voor het overlijden met verslavingsproblematiek. Hij was verslaafd aan cannabis, gamen en het kijken van porno.

Patiënt was niet in staat om met andere mensen om te gaan. Hij begreep hen niet en zij begrepen hem niet. Patiënt raakte snel overprikkeld en kon zomaar heel agressief worden. Ondanks meerdere behandelingen kon hij niet tot meer komen dan gamen, blowen en porno kijken. Patiënt leefde met zijn apparaten en zag dat als enige toevlucht in zijn leven. Hij beschouwde vooral het cannabismisbruik als palliatie, zodat het de scherpe kantjes van zijn lijden afhaalde. Door te gamen zocht hij afleiding en legde hij contact met medespelers. Met het kijken van porno probeerde hij zijn eenzaamheid te bestrijden. Hij stond altijd open voor behandelingen en begon hier ook aan, maar zijn overprikkeling zorgde ervoor dat het hem niet lukte om de behandeling af te maken. Het was voor hem niet mogelijk om dit vol te houden. Patiënt had suïcidale gedachten gehad, maar durfde hier geen gehoor aan te geven. Ook was hij bang om naar buiten te gaan, omdat hij zich realiseerde dat hij pedofiele neigingen had. Hij ging alleen nog naar buiten om eten en wiet te halen of onder begeleiding van zijn woonbegeleider om te wandelen. Hij ervoer op geen enkele wijze levensvreugde en was niet in staat om daadwerkelijke verbinding te ervaren met zijn medemens. Hij voelde zich bezwaard om het leven te leiden, wat hij als nutteloos ervoer. De continue teleurstelling over behandeltrajecten die niet aansloegen en het zichzelf kwalijk nemen tot niets te komen en volledig buiten de maatschappij te staan, brachten voor patiënt extra lijdensdruk met zich mee. Patiënt leefde met het idee dat hij niet meer te repareren was en schaamde zich enorm voor zijn onmacht. Het lukte hem in de afgelopen twintig jaar niet om enig toekomstperspectief te creëren, wat zijn lijden uitzichtloos maakte.

Patiënt was in het verleden meerdere keren opgenomen geweest vanwege zijn verslavingsproblematiek. Ook was hij in zijn tienerjaren langdurig opgenomen geweest in een jeugdkliniek, waarna hij was overgeplaatst naar een kliniek voor bijna-volwassenen. Patiënt had dagbehandelingen gevolgd en kreeg schematherapie. Dit alles leverde geen resultaat op. Patiënt kreeg ondersteuning van het FACT-team en ontving drie keer per week woonbegeleiding. Hij woonde in een beschermde woonomgeving. Twee jaar voor het overlijden constateerden behandelaars dat patiënt niet langer behandelbaar was door zijn snelle overprikkeling. Ook was hij niet veerkrachtig en had hij geen draagkracht meer voor behandelingen. Zijn verslavingsproblematiek en psychiatrische problemen droegen hier ook aan bij. Daarnaast was patiënt moe van alle behandelingen en had hij geen motivatie meer om nieuwe behandelingen te ondergaan.

Ruim anderhalf jaar voor het overlijden meldde patiënt zich aan bij het Expertisecentrum Euthanasie. Patiënt had toen een al bijna twintig jaar bestaande doodswens. De arts bezocht patiënt ongeveer zeven maanden voor het overlijden voor het eerst. Patiënt verzocht de arts direct om de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. De arts voerde in totaal vier gesprekken met patiënt.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een beoordeling van de diagnose, de wilsbekwaamheid ter zake en de aanwezigheid van behandelmogelijkheden. Hij onderzocht patiënt twee maanden voor het overlijden. Ook raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-psychiater. Deze bezocht patiënt ongeveer een maand voor het overlijden.

De arts heeft de hulp bij zelfdoding uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.