Kort voor de uitvoering trok de patiënt zijn euthanasieverzoek in. Twee weken later verzocht hij de arts opnieuw om euthanasie. De arts sprak vervolgens (weer) meermaals met de patiënt en was ervan overtuigd dat patiënt achter zijn verzoek stond. De arts raadpleegde bewust dezelfde SCEN-arts, die nogmaals concludeerde dat patiënt wilsbekwaam was en er sprake was van een actueel euthanasieverzoek. Naar het oordeel van de commissie heeft de arts grote behoedzaamheid betracht bij het vaststellen van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man tussen de 50 en 60 jaar, was sinds drie jaar voor het overlijden sprake van progressieve slechtziendheid op basis van atrofische maculadegeneratie en vergevorderde neovascularisatie. Patiënt was vrijwel volledig blind. Daarnaast kampte patiënt sinds drie jaar voor het overlijden met urine-incontinentie ten gevolge van een urotheelcelcarcinoom. Patiënt had een verminderde draagkracht vanwege een traumatische jeugd die hij had doorgemaakt. Ongeveer twee jaar voor het overlijden maakte hij een reactieve depressie door. Het lijden van patiënt bestond uit de toenemende afhankelijkheid ten gevolge van zijn progressieve slechtziendheid. Ook ging het lopen heel traag en kostte hem dit steeds meer moeite, omdat hij slecht zijn evenwicht kon bewaren. Sinds ongeveer een half jaar voor het overlijden verbleef patiënt in een zorginstelling voor mensen met een visuele beperking. Zijn veelbewogen leven vergde erg veel van hem, maar zijn lichamelijke achteruitgang in de laatste jaren voor zijn overlijden, met in het bijzonder de ontstane blindheid, maakten dat hij het leven als een straf ervoer en het lijden voor hem ondraaglijk was geworden.

Ruim een jaar voor het overlijden had patiënt om euthanasie gevraagd. Patiënt had zich toen bij het Expertisecentrum Euthanasie (EE) aangemeld, omdat zijn eigen huisarts het euthanasietraject niet met patiënt wilde doorlopen vanwege zijn geplande verhuizing buiten haar werkgebied. Hij had toen al langere tijd een doodswens. De arts sprak zo’n negen maanden voor het overlijden voor het eerst met patiënt. Tijdens dit eerste gesprek verzocht patiënt concreet om de uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek. Dit verzoek herhaalde hij in de daaropvolgende elf gesprekken. Enkele dagen voor de geplande uitvoering van de euthanasie trok patiënt zijn verzoek in. Hij had romantische gevoelens ontwikkeld. Twee weken nadien deed patiënt opnieuw een verzoek tot levensbeëindiging. De arts had patiënt vervolgens nog drie keer gesproken waarin hij zijn verzoek herhaalde.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een beoordeling van de diagnose, wilsbekwaamheid ter zake en de aanwezigheid van behandelmogelijkheden. Zij bezocht patiënt ruim vier maanden voor het overlijden. Ook raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. De consulent bezocht patiënt voor het eerst drie weken voor de eerste geplande euthanasie. Ruim een maand voor het overlijden bezocht hij patiënt opnieuw.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.