De patiënte had vergevorderde dementie en was niet meer wilsbekwaam tijdens de uitvoering van de euthanasie. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring van patiënte (in overeenstemming met art. 2 lid 2 Wtl). De eerste onafhankelijk deskundige en de eerste onafhankelijk consulent, waren niet overtuigd van het ondraaglijk lijden van de patiënte.

De arts heeft daarop een tweede onafhankelijk deskundige en een tweede onafhankelijk consulent geraadpleegd. Beiden meenden dat uit het dossier duidelijk bleek dat de patiënte ondraaglijk leed. Ook de naasten van de patiënte bevestigden het ondraaglijk lijden. Bovendien liet patiënte zelf zien dat zij ondraaglijk leed.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Patiënte, een vrouw van tussen de 80 en 90 jaar, leed sinds ongeveer vier jaar voor het overlijden in toenemende mate aan dementie. Zij merkte al langere tijd dat er sprake was van cognitieve achteruitgang.

Het lukte haar niet meer om te fietsen, auto te rijden of boodschappen te doen. Ook kwam zij moeilijk uit haar woorden, waardoor gesprekken moeizaam verliepen. Zij heeft bij meerdere naasten het verloop van dementie gezien en dit wilde zij pertinent niet zelf meemaken. Ook een verblijf in een verpleeghuis was voor patiënte een schrikbeeld. Ongeveer drie jaar later was de dementie voortgeschreden. Omdat de situatie in de thuissituatie niet langer houdbaar was, werd patiënte met een rechterlijke machtiging in een verpleeghuis opgenomen.

Bij patiënte was sprake van een compleet onvermogen om te communiceren met de mensen om haar heen. Patiënte leek zich te realiseren dat zij niet werd begrepen en dat zij niet in staat was om te communiceren. Zij ervoer voortdurende onrust waarbij de frustratie regelmatig dusdanig hoog opliep dat zij fysiek agressief werd naar haar naasten, het zorgpersoneel en andere bewoners, maar ook regelmatig richting zichzelf. Tot rust komen lukte haar nauwelijks. De frustratie en onmacht kon zij niet meer adequaat verbaal uiten, maar waren goed merkbaar in het gedrag dat zij vertoonde.

Patiënte heeft zich ruim drie jaar voor het overlijden voor het eerst aangemeld bij EE, omdat haar huisarts geen euthanasie uitvoert. Zij was op dat moment wilsbekwaam ter zake, hetgeen destijds ook werd bevestigd door een geriater. Vanwege familieomstandigheden is het euthanasietraject destijds na twee gesprekken gestagneerd. De specialist ouderengeneeskunde in het verpleeghuis waar patiënte sinds anderhalf jaar voor het overlijden met een rechterlijke machtiging verbleef, voert geen euthanasie uit bij wilsonbekwame patiënten. De zoon van patiënte meldde haar daarom ongeveer tien maanden voor het overlijden opnieuw aan bij EE. Vijf maanden later werd patiënte voor het eerst bezocht door een nieuw EE-team. De arts heeft patiënte in totaal negen keer bezocht. Patiënte kon tijdens de bezoeken van de arts niet meer betekenisvol communiceren. Haar zoon bracht dan ook haar schriftelijke wilsverklaring onder de aandacht van de arts en vroeg om uitvoering hiervan.

De arts raadpleegde vanwege de wilsonbekwaamheid van patiënte een specialist ouderengeneeskunde als onafhankelijk deskundige. Zij bezocht patiënte ongeveer vier maanden voor het overlijden. Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts die tevens psychiater was. Hij bezocht patiënte circa drie maanden voor het overlijden. De arts raadpleegde een tweede specialist ouderengeneeskunde als onafhankelijk deskundige. Hij bezocht patiënte ongeveer tweeënhalve maand voor het overlijden. Als tweede consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts die tevens specialist ouderengeneeskunde was. Hij bezocht patiënte twee maanden voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.