De arts heeft grote behoedzaamheid betracht bij een euthanasieverzoek van een patiënt met voortgeschreden dementie. De patiënt was wilsonbekwaam ten tijde van de uitvoering van de euthanasie. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar oud, werd ongeveer tweeëneenhalf jaar voor zijn overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Sinds een jaar voor zijn overlijden verbleef patiënt in een verpleeghuis.

Patiënt was gedurende zijn leven een autonome, levenslustige en sociale man. Hij genoot van het leven en van het gezinsleven. Stilzitten paste niet bij zijn persoonlijkheid, hij was altijd bezig; de tuin in orde maken, bouwen en verbouwen, het huishouden. Hij was positief, vriendelijk en opgewekt, maakte makkelijk contact en was altijd in voor een grapje. Patiënt leefde een actief leven waarin hij veel mooie reizen en lange wandelingen maakte. Patiënt was een meegaand man, maar wanneer hij iets echt niet wilde of juist wél dan was hij daar ook niet van af te brengen.

In de familie van patiënt kwam dementie vaker voor en patiënt was bekend met het verloop van de ziekte. Nadat hij een vriend had bezocht in het verpleeghuis besloot patiënt, al voordat patiënt zelf de diagnose dementie kreeg, dat hij zelf niet in een dergelijke situatie wenste te komen. Patiënt stelde daarom zeven jaar voor het overlijden en vier jaar voor zijn diagnose een schriftelijke wilsverklaring op.

Patiënt ging na de diagnose cognitief snel achteruit, hij kon niet meer goed communiceren met anderen, was angstig en onrustig en had geen ziekte-inzicht. Omdat de situatie in de thuissituatie niet langer houdbaar was, werd patiënt met een rechterlijke machtiging in een verpleeghuis opgenomen. Op zijn kamer in het verpleeghuis wilde hij niet zijn en daar slapen wilde hij al helemaal niet. Hij ervoer voortdurende onrust waarbij er sprake was van continue agitatie en agressie naar spullen en hij werd agressief naar het personeel, waarbij fysieke confrontaties plaatsvonden. Tot rust komen was nauwelijks mogelijk. De eenzaamheid, frustratie en spanning waren evident zichtbaar. Hij leek met zijn gedrag iets kenbaar te willen maken, maar kon dat niet meer verwoorden.

De behandelaar van patiënt vond de situatie te complex om zelf euthanasie uit te voeren. Na de opname in het verpleeghuis heeft de echtgenote van patiënt nog een tijd afgewacht om te zien hoe patiënt zijn verblijf daar zou ervaren. Toen dat dramatisch voor hem bleek te zijn en zijn lijden niet minder werd besloot de echtgenote van patiënt hem vijf maanden voor het overlijden aan te melden bij de EE. Patiënt werd een maand later bezocht door het EE-team. Patiënt kon tijdens de bezoeken van de arts niet meer betekenisvol communiceren. Zijn echtgenote bracht vervolgens de schriftelijke wilsverklaring van patiënt onder de aandacht van de arts en vroeg om uitvoering daarvan.

Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts die tevens specialist ouderengeneeskunde was. Zij bezocht patiënt ongeveer vier weken voor het overlijden. De arts raadpleegde bovendien vanwege de wilsonbekwaamheid van patiënt een andere specialist ouderengeneeskunde als onafhankelijk deskundige. Deze bezocht patiënt ongeveer acht weken voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.