Patiënte met somatische aandoeningen en in het verleden psychische aandoeningen. De arts en de consulent waren overtuigd van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek van patiënte. De arts heeft in de summiere verslaglegging niet nadrukkelijk overwogen of de psychische aandoeningen van invloed waren op de wilsbekwaamheid van patiënte. De arts legde op verzoek van de commissie steunende specialistenbrieven over. De commissie kon daarmee tot het oordeel komen dat de arts redelijkerwijs overtuigd kon zijn dat de psychiatrische problematiek van patiënte niet van invloed was op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij patiënte, een vrouw van tussen de 70 en 80 jaar, was sprake van COPD, hypoventilatiesyndroom met ernstige hypoxie (ernstig zuurstoftekort bij het ademhalen), fibromyalgie (een chronische pijnsyndroom) en beginnende dementie. Daarnaast was patiënte bekend met een borderline persoonlijkheidsstoornis en depressieve episodes in het verleden.
Patiënte leed door haar fibromyalgie aan forse pijn, die niet met pijnstilling onder controle te krijgen was. De benauwdheid en de beperkte hoeveelheid zuurstof in haar bloed maakten dat haar conditie was verslechterd. Patiënte zat de hele dag alleen nog maar rechtop op de bank. Zij had geen energie meer om te bewegen en andere houdingen veroorzaakten haar te veel pijn. ’s Nachts moest zij zuurstof gebruiken. Ook ging patiënte cognitief achteruit door beginnende dementie. Patiënte verloor door de combinatie van een verslechterde conditie, spraak- en geheugenproblemen steeds meer zelfstandigheid. Zij kwam haar huis niet meer uit en leed aan het gebrek aan perspectief op verbetering. Een verdere verslechtering van haar situatie wilde zij niet meer meemaken.
Ruim twee jaar voor het overlijden besprak patiënte voor het eerst in algemene zin haar euthanasiewens met de arts. Ongeveer twee maanden voor haar overlijden verzocht zij de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek. Hierop raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht patiënte ruim een maand voor haar overlijden.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is bijgevoegd in bijlage I.
In deze melding was sprake van een patiënte die bekend was met psychische aandoeningen. De commissie zal daarom uitgebreid stilstaan bij de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2 eerste lid, onder a, WTL).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
De commissie constateert dat de arts het lijden ten gevolge van de lichamelijke aandoeningen omschrijft als het ondraaglijk lijden van de patiënte. Tegelijkertijd was de patiënte bekend met een borderline persoonlijkheidsstoornis, een sombere stemming en een geschiedenis van depressies. Deze stoornissen kunnen ook bijdragen aan de door de patiënte ervaren lijdensdruk. In deze gevallen zullen de arts en de consulent nadrukkelijk moeten overwegen of de psychische stoornis van de patiënte de vrijwilligheid of de weloverwogenheid van haar verzoek mogelijk in de weg staat. Als de consulent geen psychiater is, kan het ook in een dergelijk geval nodig zijn een psychiater om advies te vragen over de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (EuthanasieCode 2022, pagina 48).
De commissie zag zich in deze melding voor de vraag gesteld of de psychische stoornissen van de patiënte de vrijwilligheid en weloverwogenheid van haar verzoek in de weg stonden. Ook heeft de commissie zich afgevraagd of de arts in deze situatie een onafhankelijk psychiater had moeten raadplegen. De commissie komt tot het oordeel dat de arts zorgvuldig gehandeld heeft. Hieronder legt de commissie uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De feiten
Om te beginnen stelt de commissie vast dat de arts overtuigd was van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek van patiënte. De arts achtte patiënte wilsbekwaam. Patiënte was bewust van de strekking van haar euthanasieverzoek en wat daarvan de consequenties zouden zijn.
Het was de commissie uit het dossier onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre de psychische aandoeningen van patiënte van invloed waren op haar wilsbekwaamheid. De commissie heeft de arts daarom gevraagd om relevante specialistenbrieven uit de GGZ. De arts heeft deze brieven aan de commissie overhandigd. Uit die brieven is het de commissie gebleken dat bij patiënte na een neuropsychologisch onderzoek een neurocognitieve stoornis was vastgesteld. Er was bij patiënte geen sprake van een behandelbare psychische aandoening.
Tot slot is het de commissie gebleken dat de consulent concludeerde dat de psychische aandoeningen van patiënte de vrijwilligheid en weloverwogenheid van patiënte niet in de weg stonden. Patiënte was niet depressief en haar verzoek was consistent. De consulent achtte haar dan ook wilsbekwaam ten aanzien van haar euthanasiewens.
Het oordeel van de commissie
De commissie overweegt dat als bij een patiënte sprake is van psychische aandoeningen (in het verleden), zowel de arts als de consulent nadrukkelijk moeten overwegen of deze aandoeningen van invloed zijn op de wilsbekwaamheid van patiënte. In deze melding heeft de commissie door de summiere verslaglegging deze nadrukkelijke overweging van de arts gemist. Desondanks komt de commissie tot het oordeel dat de arts redelijkerwijs overtuigd kon zijn dat de psychiatrische problematiek van patiënte niet van invloed was op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek. De commissie betrekt daarbij in haar oordeel dat de arts steunende specialistenbrieven heeft overhandigd en de consulent expliciet benoemde dat patiënte niet depressief was. De commissie adviseert de arts om in een eventueel volgend geval zijn reflectie op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek nadrukkelijker te motiveren.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënte.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts kon met patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.