Arts heeft zorgvuldig gehandeld nadat zij problemen constateerde bij de toediening van de middelen. De arts heeft de coma-inductor toegediend via een goed lopend infuus wat een adequate bewustzijnsverlaging tot gevolg had. De arts stelde dit vast middels een adequate comacheck. Bij het toedienen van de spierverslapper blokkeerde het infuus. De arts heeft na plaatsing van een nieuwe infuusnaald de spierverslapper toegediend. De arts heeft medisch zorgvuldig gehandeld nu de coma-inductor zonder problemen is toegediend en de diepte van de coma adequaat is vastgesteld, een en ander mede in het licht van een kort tijdsverloop en de fysieke toestand van patiënt.

NB: Op grond van de stukken is de commissie in deze melding tot het oordeel gekomen dat de uitvoering van de euthanasie niet optimaal is gegaan, maar niet zodanig erg dat de arts onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit betreft een uitzonderingssituatie. De RTE wijst er met klem op dat wanneer de uitvoering niet verloopt zoals beoogd, de gehele procedure opnieuw begonnen moet worden. De RTE sluit hiermee aan bij de KNMG/KNMP-Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding. Vanaf 1 juli 2025 hanteert de RTE in aanvulling daarop de toetsnorm dat er maximaal 30 minuten mogen verstrijken tussen de toediening van de coma-inductor en toediening van de spierrelaxans. Deze melding dateert van vóór 1 juli 2025. Op de beoordeling van deze melding heeft de nieuwe toetsnorm geen invloed, omdat de 30 minuten termijn niet overschreden was.

RTE en KNMG/KNMP aan artsen: als uitvoering euthanasie niet verloopt zoals beoogd, begin opnieuw | KNMG.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 80 en 90 jaar, werd zes jaar voor het overlijden nierinsufficiëntie vastgesteld. Hij had gedurende zijn ziekteproces aangegeven niet te willen dialyseren. De klachten die patiënt ervaarde zoals jeuk en misselijkheid, en benauwdheid door zijn bloedarmoede werden behandeld met medicijnen.

Een jaar voor het overlijden werd patiënt opgenomen in het ziekenhuis vanwege een acute verslechtering van zijn chronische nierinsufficiëntie door een urosepsis. Patiënt bevestigde in het ziekenhuis nogmaals niet te willen dialyseren waardoor patiënt in een terminale fase geraakte en werd opgenomen in een hospice.

Patiënt was zijn hele leven een zelfstandige man geweest die zijn leven had ingericht naar zijn eigen wensen. Hij had een sterke behoefte aan eigen regie en sprak in dat kader regelmatig met de arts over zijn levenseinde. In het hospice stabiliseerde en verbeterde de conditie van patiënt tegen de verwachting in. Hij ging met thuiszorg terug naar zijn woning. Na een moeilijke periode zag patiënt toch weer zingeving in de kleine dingen. Hij kon nog met zijn auto op pad en speelde orgel waar hij altijd al veel plezier aan beleefde. Hij kwam zelfs in de fase dat hij het een uitdaging vond om te zien hoe lang hij, tegen de verwachtingen in, nog zou kunnen leven na zijn terminaalverklaring in het ziekenhuis.

Enkele weken voor het overlijden ondervond patiënt steeds meer klachten en werd het lijden groter. De palliatieve behandeling van de klachten ten gevolge van de terminale nierinsufficiëntie gaven hem niet meer voldoende verlichting. Hij was zeer sterk vermoeid, had veel pijn, was misselijk en had jeuk.

Acht dagen voor zijn overlijden gaf patiënt aan dat hij zo niet verder wilde leven en verzocht hij de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent, die patiënt zeven dagen voor het overlijden bezocht.

Uit het modelverslag en de schriftelijke reactie van de arts op de vragen van de commissie bleek dat de uitvoering van de levensbeëindiging gecompliceerd was verlopen. De arts gaf in het modelverslag aan dat het toedienen van 2000 mg thiopental en het doorspoelen met zoutoplossing zonder problemen verliep. Bij het toedienen van 150 mg rocuronium, na een adequate comacheck, blokkeerde het infuus. De arts ondernam meerdere prikpogingen voor het verkrijgen van een nieuwe iv-toegang. Na het inbrengen van het nieuwe infuus werd (alsnog) 150 mg rocuronium toegediend en overleed patiënt.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.