Een patiënt met psychische stoornissen verbleef met een TBS-maatregel in een forensisch psychiatrisch centrum. De arts heeft grote behoedzaamheid betracht bij het vaststellen van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek van patiënt en bij de gedwongen setting waarin patiënt verbleef. Het verblijf in de TBS-kliniek had geen bepalende invloed op de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man tussen 30 en 40 jaar, was sinds zijn vroege jeugd sprake van ernstige gedragsproblemen met agressie. Bij hem werd geruime tijd voor het overlijden ADHD, een reactieve hechtingsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en een autismespectrumstoornis vastgesteld. Ook was bij hem sprake van een licht verstandelijke beperking en middelengebruik. Patiënt verbleef ten tijde van het euthanasietraject met een TBS-maatregel in een forensisch psychiatrisch centrum (FPC).

Patiënt had een zeer getroebleerde jeugd achter de rug. In zijn kleuterjaren werd hij voor het eerst uit huis geplaatst en opgenomen in een medisch kindertehuis. Deze plaatsing markeerde het begin van een leven waarin patiënt steeds in een verplichte setting ergens werd opgenomen, zijn behandeling en netwerk moest opbouwen, en vervolgens wegens gedragsproblemen of incidenten ergens anders naartoe moest. Situaties die op zichzelf staand niet ingrijpend waren, leidden bij patiënt tot intense emoties en (zelf)destructief gedrag. Hij voelde zich machteloos in zijn pogingen dit patroon te doorbreken. Patiënt ervoer constant angst voor een nieuw delict en wist dat hij zich zowel binnen als buiten de kliniek niet kon handhaven. Zeventien jaar voor het overlijden ondernam patiënt zijn eerste suïcidepoging.

Patiënt kreeg een TBS-maatregel opgelegd wegens een seksueel delict met een minderjarige. Hij werd vervolgens overgeplaatst wegens een geweldsincident met een medepatiënt. Na een ernstig seksueel delict tegen een medewerker, werd patiënt met een nieuwe TBS-maatregel overgeplaatst naar een ander FPC. In de kliniek waar hij ten tijde van het euthanasietraject verbleef, was zijn behandeling niet geslaagd. Resocialisatie was uitgesloten en zelfs begeleid verlof was niet haalbaar gebleken. Hij werd daarom geconfronteerd met de mogelijkheid van weer een overplaatsing naar een ander FPC, om daar toe te werken naar begeleid verlof. Dit was voor patiënt niet acceptabel. Hij vond namelijk alle vormen van verplichte zorg en begeleiding onaanvaardbaar. Nu er geen kans was dat patiënt ooit zelfstandig en in vrijheid zou kunnen leven, leed hij aan het reële gebrek aan toekomstperspectief. Hij zag het gezien zijn levensgeschiedenis niet zitten om weer in een andere kliniek opnieuw te moeten beginnen, terwijl het hoogst haalbare, begeleid verlof, voor hem geen aanvaardbare manier van leven was. Dit mede omdat hij wist dat het leven buiten de kliniek, met alle vrijheden, zou leiden tot een nieuw delict en hij zich geen stand kon houden in de maatschappij.

Patiënt besprak zijn euthanasieverzoek negen maanden voor het overlijden voor het eerst met de arts, zijn behandelend psychiater. Op dat moment was hij al een jaar aan het nadenken over zijn euthanasiewens. De arts en patiënt spraken meer dan twintig keer met elkaar over het euthanasieverzoek.

De arts raadpleegde voor een beoordeling van de diagnose, de wilsbekwaamheid en het bestaan van redelijke behandelmogelijkheden een onafhankelijk psychiater. Zij onderzocht patiënt vier maanden voor het overlijden twee keer. Daarnaast raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-arts, die patiënt drie maanden voor het overlijden voor de eerste keer bezocht. Negen dagen voor het overlijden bezocht de consulent patiënt opnieuw.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.