De arts heeft grote behoedzaamheid betracht bij een euthanasieverzoek van een patiënt met voortgeschreden dementie. De patiënt was niet meer wilsbekwaam ten tijde van de uitvoering van de euthanasie. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, werd acht jaar voor het overlijden dementie vastgesteld. In eerste instantie was bij hem sprake van primaire progressieve afasie, wat zich later ontwikkelde naar semantische dementie. Patiënt bevond zich in een vergevorderd stadium van de ziekte en was niet meer wilsbekwaam ten aanzien van zijn euthanasiewens.

Bij patiënt was sprake van onvermogen om te communiceren met de mensen om hem heen. Hij was de grip op zijn leven verloren en ervoer voortdurende onrust. Hoewel patiënt nooit had gewild dat hij opgenomen zou worden in een verpleeghuis, werd hij ongeveer tien maanden voor het overlijden opgenomen op de gesloten afdeling van een verpleeghuis in verband met zijn toenemende behoefte aan intensieve zorg, die thuis niet meer kon worden geboden. Het lukte patiënt enkel nog om rust te vinden tijdens bezoek van zijn partner en kinderen en bij een vertrouwd gezicht van het zorgpersoneel. De rest van de tijd was patiënt almaar zoekende en radeloos. Hij was duidelijk gefrustreerd en dwangmatig. De frustratie liep daarbij geregeld zo op dat hij zowel verbaal als fysiek agressief werd, zeker wanneer hij het idee leek te hebben niet begrepen te worden door zijn afasie. Patiënt leek zich ervan bewust te zijn dat het verpleeghuis niet zijn “thuis” was en werd boos als zijn partner hem “verliet” na elk bezoek aan hem. Vanwege het aanhoudende zoekgedrag werd patiënt steeds verder begrensd in zijn vrijheid. Hij leed aan de afasie, het verlies van autonomie en de voortdurende onrust.

Ongeveer drie jaar na de diagnose stelde patiënt een schriftelijk euthanasieverzoek op, dat hij twee jaar voor het overlijden actualiseerde. Patiënt besprak zijn euthanasiewens en het schriftelijk verzoek meermaals met de arts, zijn huisarts en zijn naasten.

De huisarts kon vanwege persoonlijke redenen de uitvoering van de euthanasie van patiënt niet op zich nemen, waarop Expertisecentrum Euthanasie werd benaderd. Het eerste gesprek tussen de arts en patiënt vond ruim vier jaar voor het overlijden plaats. Patiënt verzocht in dit eerste gesprek om de uitvoering van de levensbeëindiging als hij zich in de situatie zou bevinden zoals beschreven in zijn wilsverklaring. In de veertien daaropvolgende gesprekken kon patiënt zijn wens nog goed verwoorden en was hij nog volledig wilsbekwaam. Er was op dat moment echter (nog) geen sprake van een actueel verzoek. Toen patiënt op de gesloten afdeling van een verpleeghuis werd opgenomen had hij geen ziekte-inzicht of besef over dood en leven ten opzichte van zijn eigen situatie meer en liet hij desgevraagd weten niet dood te willen. Op dat moment werd patiënt al niet meer wilsbekwaam geacht. Hierop besloot de arts het dossier te sluiten.

Een half jaar voor het overlijden vroeg de partner van patiënt de arts om het euthanasieverzoek van patiënt in te willigen, omdat de situatie in het verpleeghuis voor patiënt mensonwaardig was geworden en er volgens haar sprake was van de situatie die patiënt in zijn wilsverklaring had beschreven. De arts sprak nog vijf keer met patiënt en zijn naasten. Gesprekken met patiënt waren toen echter niet meer mogelijk. De arts had daarop het lijden van patiënt uitgebreid geobserveerd en gedocumenteerd. De arts besloot om over te gaan tot uitvoering van levensbeëindiging op basis van de schriftelijke wilsverklaring van patiënt.

De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. Deze bezocht patiënt ruim drie maanden voor het overlijden. De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts, tevens klinisch geriater. De consulent bezocht patiënt ongeveer twee maanden voor de uitvoering van de levensbeëindiging en opnieuw enkele dagen voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.