De eerste geraadpleegde consulent (SCEN-arts) gaf een negatief advies. De commissie komt tot het oordeel dat de arts op goede gronden voorbij kon gaan aan de visie van de eerste consulent. De commissie betrekt daarbij dat de arts expliciet en voldoende gereflecteerd heeft op de bevindingen van de eerste consulent. Ook heeft de arts een tweede consulent (SCEN-arts) geraadpleegd, die concludeerde dat wel aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. De eerste geraadpleegde consulent (SCEN-arts) gaf een negatief advies. De commissie komt tot het oordeel dat de arts op goede gronden voorbij kon gaan aan de visie van de eerste consulent. De commissie betrekt daarbij dat de arts expliciet en voldoende gereflecteerd heeft op de bevindingen van de eerste consulent. Ook heeft de arts een tweede consulent (SCEN-arts) geraadpleegd, die concludeerde dat wel aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw tussen de 70 en 80 jaar, was sprake van een Failed Back Surgery Syndrome. Tevens kampte patiënte sinds enkele jaren met ernstige en progressieve polyneuropathie. 

Patiënte is jarenlang behandeld door middel van verschillende operatieve en medicamenteuze interventies. De behandelingen hadden geen effect op de pijn en volgens de behandelend geriater waren er geen therapeutische opties meer. Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.

Het lijden van patiënte bestond uit chronische allesoverheersende pijn, met name in de rug. Zij had last van wegrakingen als gevolg van haar invaliderende pijn, waardoor zij niet meer in staat was een sociaal leven te leiden. Patiënte kon haar hobby's niet meer uitoefenen en was niet meer in staat te genieten van de dingen die voor haar het leven waardevol maakten. Zij was volledig afhankelijk van de zorg van anderen geworden. Zij leed onder de uitzichtloosheid van haar situatie en het verlies van zelfstandigheid. Patiënte ervoer haar situatie als mensonwaardig en zinloos en gaf aan dat haar grens was bereikt. Zij was moegestreden.

Patiënte had eerder met haar huisarts over euthanasie gesproken. De huisarts vond het verzoek van patiënte zeer invoelbaar en was overtuigd van dat patiënt ondraaglijk en uitzichtloos leed, maar wilde de euthanasie niet zelf uitvoeren. De huisarts verwees patiënte naar Expertisecentrum Euthanasie (EE). Vervolgens heeft patiënte zich aangemeld bij EE. Het eerste gesprek tussen de arts en patiënte vond ongeveer zeven weken voor het overlijden plaats. Patiënte verzocht in dit eerste gesprek om uitvoering van de levensbeëindiging.

Er is tweemaal een onafhankelijke SCEN-arts geraadpleegd. De eerste consulent bezocht patiënte ongeveer vier weken voor het overlijden. Deze concludeerde dat vooralsnog niet voldaan was aan alle wettelijke zorgvuldigheidseisen. De eerste consulent stelde vast dat bij patiënte sprake was van een depressieve stoornis, waardoor de eerste consulent niet overtuigd was van het feit dat er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek bij patiënte. Daarnaast zag de eerste consulent nog redelijke andere oplossingen om het lijden te verlichten. De tweede consulent bezocht patiënte ongeveer een week voor het overlijden. De tweede consulent heeft in haar beoordeling extra aandacht besteed aan de beoordeling van de stemming van patiënte. Volgens de tweede consulent was aan de zorgvuldigheidseisen voldaan. Beide keren werden de consulenten via Atacom benaderd.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Allereerst merkt de commissie op dat het dossier in eerste instantie onvoldoende duidelijkheid

bood om tot een goed oordeel te kunnen komen.

In het dossier werd door de arts onvoldoende gereflecteerd op het negatieve advies van de eerste consulent, die concludeerde dat bij patiënte sprake was van een depressie. Op basis van het dossier heeft de commissie vragen gesteld aan de arts waarna de commissie een uitgebreide schriftelijke toelichting van de arts heeft ontvangen. Deze schriftelijke reactie gaf een duidelijk beeld van de reflectie en de overwegingen van de arts naar aanleiding van het negatieve advies van de eerste consulent. De arts gaf aan dat hij zich bewust was van dat uitgebreidere gespreksverslagen en uitgebreidere antwoorden in het modelverslag vragen had kunnen voorkomen, en betreurde dit.

Om de vragen van de commissie zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden heeft de arts de tweede consulent verzocht een aanvulling op haar verslag te schrijven, ook het aangevulde verslag is door de commissie ontvangen.

De commissie zal bij haar beoordeling alle (uiteindelijk) verkregen informatie betrekken.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.