Nadat de arts de coma-inductor en – na een adequate comacheck - het spierrelaxans had toegediend, bleef de patiënt een polsslag houden. Na de constatering dat er nog sprake was van een voldoende diep coma diende de arts acht minuten na de eerste dosis spierrelaxans een tweede dosis spierrelaxans toe uit de noodset. Op grond van de KNMG/KNMP richtlijn Uitvoering had de arts na acht minuten nog geen reden om een tweede dosering spierrelaxans toe te dienen, omdat na toediening van het spierrelaxans de tijd tussen de ademstilstand en de hartstilstand soms kan oplopen tot wel 20 minuten. Omdat de arts op adequate wijze de diepte van het coma heeft gecontroleerd en er sprake was van een kort tijdsverloop tussen de coma-inductor en de toediening van de tweede dosering rocuronium, heeft naar het oordeel van de commissie geen risico bestaan dat patiënt de negatieve effecten van de spierverslapper heeft ervaren. De commissie komt dan ook tot het oordeel dat de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig is uitgevoerd.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Patiënt, een man van tussen de 50 en 60 jaar, kreeg op jonge leeftijd last van oorsuizen, chronische buikproblemen en pijnklachten. Vier jaar voor zijn overlijden kreeg patiënt een CVA met flinke restschade in de vorm van persoonlijkheidsverandering en cognitieve stoornissen. Daarna ontwikkelde de patiënt diverse lichamelijke klachten waaronder ook klachten ten gevolge van een operatie die is uitgevoerd in verband met prostaatkanker. Na het CVA was het energieniveau van patiënt laag. Patiënt kreeg veel soorten therapie en medicatie, maar dit heeft niet tot een verbetering voor patiënt geleid.

Patiënt sprak ongeveer een jaar voor zijn overlijden in algemene zin met de arts over levensbeëindiging. Patiënt sprak vervolgens tweewekelijks met de arts en herhaalde telkens zijn verzoek om levensbeëindiging.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater die patiënt ongeveer vier maanden voor zijn overlijden bezocht. Vervolgens raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-arts die patiënt ongeveer vier weken voor de levensbeëindiging bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.